|
EEN
INTRODUCTIE
De basis van de Spitfire werd al gelegd in 1922 toen vliegtuigconstructeur Supermarine haar
Sea Lion II inzette tijdens de Schneider Trophy Race. De Italianen hadden tweemaal de race
gewonnen en dreigden de Trophy voorgoed naar zich toe te trekken bij een derde overwinning.
Het ontwerp van de 26 jarige Reginald Joseph Mitchell wist de Italianen te verslaan.
Supermarine Sea Lion II
Het jaar
daarop wonnen de Amerikanen de Trophy door de Sea Lion III te verslaan. Mitchell kwam in 1925
met een geheel nieuw toestel, de S. 4. Het toestel was slank en strak gestroomlijnd. Voor het
naar de Verenigde Staten afreisde voor de volgende Schneider Race, verbrak het toestel het
wereldsnelheidsrecord door 226.75 mijl te bereiken. De dag voor de race crashte het toestel
in Chesapeake Bay. Oorzaak was het ontbreken van verstevigingdraden om de trillende vleugels
te stabiliseren. Mitchell's werk behelsde niet alleen de racevliegtuigen, maar hij hield zich
ook bezig met de bouw van andere toestellen van Supermarine. Hij werkte mee aan de Southampton,
een vliegboot die als lange afstandvliegtuig het Britse koningrijk verbond.
Supermarine Southampton
Maar het meest tot de
verbeelding sprak toch de Schneider Race voor Mitchell. Voor het jaar 1927 werd de S.5 ontwikkeld
met een Napier Lion VIIA/B. Er werden drie toestellen gebouwd, de N219, N220 en de N222. De vleugels
waren nog van hout, maar de romp was nu van metaal, een significante verbetering. In Venetië won
Flight Lieutenant S.N. Webster met N220 met een gemiddelde snelheid van 218.65 mijl per uur. Later
dat jaar werd een nieuw Brits record gevlogen met een S.5, 319.57 mijl per uur. De RAF zag potentie
in deze snelle toestellen en nam de S.5’s over om deze te evalueren. In 1928 crashte N221 in zee bij
Calshot, waardoor er nog twee over bleven voor de ‘High Speed Flight’ om te testen. In 1928 werd
Supermarine overgenomen door Vickers waardoor niet alleen de financiële situatie verbeterde voor
Supermarine, maar ook het team van ontwerpers en technici versterking kreeg.
Een Supermarine S.5's in 1927
Het jaar 1928 zag de samenvoeging van twee componenten die de ware basis zouden vormen voor de
toekomstige Spitfire. De Napier Lion was niet in staat om meer vermogen te ontwikkelen. Het ministerie
van luchtvaart nodigde Rolls-Royce uit om een motor te ontwikkelen. In november werd begonnen aan de
Rolls-Royce ‘R’. Het was een doorontwikkeling van de ‘Buzzard’ dat weer een vergrote ‘Kestrel motor was.
Haalde de oude Napier Lion een vermogen van 875 pk, de nieuwe ‘R’ verdubbelde bijna het vermogen naar
1900 pk! Twee S.6’s werden besteld voor de race van 1929, de N247 en de N248. Om de enorme torsie van
de motor op te vangen werd in de stuurboord drijver een aanpassing aangebracht waarin de brandstof was
ondergebracht. Met een snelheid tussen de 328 en 332 mijl per uur werden de verschillende circuits
winnend afgelegd. September 1929 werd verder afgesloten met een nieuw officieel wereld snelheidrecord
van 357.7 mijl per uur. Voor 1931 dreigde een niet deelname voor de Britten in de Schneider Race.
De regering draaide de geldkraan dicht in 1930. Gelukkig stapte eind december 1930 Lady Houston in
de ring door £100.000 te doneren voor de ontwikkeling van een toestel voor de race van 1931. Vanwege
tijdgebrek werd het S.6 ontwerp aangepast en verbeterd. De N247 en de N248 werden de S.6A gevolgd
door de S.6B’s, S1595 en de S1596.
S.6B, S1595
De Schneider Trophy in september 1931 werd gevlogen in Engeland. Of de andere landen waren bang
om wederom verslagen te worden door de Britten zal altijd een vraag blijven, maar alleen de Britse
S.6B verscheen aan de start. Met een gemiddelde snelheid van 340 mijl per uur werd de Schneider
Trophy permanent binnengehaald voor Groot Brittannië door piloot Flt. Lt. John N. Boothman.
Later zou S1595 de snelheid van 407,5 mijl per uur bereiken, een absoluut snelheidsrecord. Het was
het eerste vliegtuig dat de 400 mijl grens doorbrak.
Mislukte 'Spitfire'
Ondertussen had de Britse luchtvaartindustrie de vraag gekregen om een jachtvliegtuig te
ontwikkelen, specificatie F7/30, dat minstens 200 mijl per uur moest halen en een bewapening van vier mitrailleurs
moest voeren. Ook Mitchell kwam met een ontwerp, de Supermarine Type 224. Aangedreven door een
Rolls-Royce Goshawk motor. Om de grote propeller ruimte te geven werd een zogenaamde ‘meeuwenvleugel’
aangebracht. Deze geknakte vleugel gaf het toestel een robuust uiterlijk, verre van een snelle slanke
jager.
R.J. Mitchell en Type 224
Problemen met de motor en het gewicht vertraagden de bouw van een eerste prototype. Pas op 20
februari, 1934 vloog het toestel en bleek niet de verwachting te zijn die Mitchell voorspeld had. Was
Type 224 mislukt, Supermarine was al bezig met een geheel nieuw, en vooral beter ontwerp.
De eerste van vele
In juli 1934 bracht Mitchell zijn nieuwe voorstel naar het Air Ministry. Deze hadden de doelstelling
met specificatie F5/35 aangescherpt. Er moesten nu minimaal acht mitrailleurs aangebracht zijn. In
Mitchell zijn ontwerp was slechts ruimte voor vier. Maar verder was het de basis voor een goede jager.
Een intrekbaar landingsgestel, een dichte cockpit, een dunne vleugel en een motor die meer kracht
beloofde, de Rolls-Royce PV-12 (de latere Merlin). Maar die dunne vleugel gaf problemen om de gevraagde
acht mitrailleurs in onder te brengen. Vickers gaf toestemming uit eigen vermogen een prototype te bouwen,
Type 300. Het Air Ministry zag de potentie en besloot ook 10.000 pond in het project bij te dragen.
In april 1935 was een indrukwekkende houten mock-up gereed voor inspectie. Maar als Supermarine een order
wenste te krijgen, dan moesten er acht mitrailleurs ingebouwd worden. Om het gewenste vleugeloppervlakte
te behouden werd er een elliptische vleugel ontworpen, maar de acht mitrailleurs konden nu wel geplaatst
worden.
Op 5 maart, 1936 koos het prototype K5054 vanaf Eastleigh voor het eerst het luchtruim in handen van Maurice ‘Mutt’
Summers. Tijdens de eerste testvluchten werd al een snelheid
geklokt van 348 mijl per uur.
Prototype K5054
Op 26 mei, 1936 werd K5054 voorgevlogen en getoond aan de RAF. Deze waren zeer enthousiast en hun
rapport aan het Air Ministry resulteerde in een eerste order van 300 toestellen. Op 28 juli, 1936 werd
de naam Spitfire officieel goedgekeurd bij de Air Counsil op voordracht van Vickers. De naam was
al eerder voorgesteld voor het mislukte Type 224 en werd doorgeschoven naar het laatste ontwerp van
Mitchell (die trouwens een fel tegenstander was van de naam ‘Spitfire’). Ook Vickers, had naast de
jager van Supermarine, een prototype gebouwd voor specificatie F5/35. Dit toestel dat uit zou groeien
tot Type 279 ‘Venom’ vloog voor het eerst op 17 juni, 1936 ook in handen van testpiloot Mutt Summers,
die drie maanden eerder de Spitfire had gevlogen en dus een goede vergelijking kon maken. De
geschiedenis leert ons dat de Venom met stille trom werd afgevoerd toen de Spitfire de winnaar bleek te zijn.
Mitchell zou zijn Spitfire nooit in actie zien. Op 11 juni, 1937 overleed hij op 42 jarige
leeftijd aan kanker. Hij werd opgevolgd door Joseph Smith, die Chief Designer bleef gedurende
de Spitfire jaren.
Mede door de ingewikkelde constructie kwam de productie traag op gang. Het was op 14 mei,
1938 dat de eerste productiemachine, de K9787, haar eerste vlucht maakte. Op 4 augustus, 1938
werd de eerste Spitfire Mk I, K9789, geleverd op Duxford aan het No.19 Squadron.
Spitfires van het No. 19 Squadron
De opleiding
vereiste alle inzet van de piloten. Een trainerversie was er niet, en moest de vlieger het toestel
‘by the seat of
the pants’ zelf onder de knie krijgen. Aan het begin van de oorlog waren er tien squadrons uitgerust
met de Spitfire (waarvan toen al 27 waren afgeschreven door ongelukken). Op 3 september, 1939 waren
er 150 Spitfires gereed voor actie. Op 16 oktober van dat jaar kwam voor het eerst de Spitfire in
actie toen zes Spitfires van het 602 en 603 Squadron Junkers Ju 88 van het KG30 aanvielen die
Britse marine schepen wilden aanvallen nabij Rosytt. Drie Spitires van het 603 wisten een
Ju 88 te vernietigen, daarmee de eerste overwinning voor een Spitfire te behalen. Ook 602 wist
even later een Ju 88 neer te schieten. Op 20 november, 1939 werd de eerste Heinkel He 111 neergehaald
door Spitfires van het 74 Squadron.
Op 10 juli, 1940 begon officieel de ‘Battle of Britain’. Fighter Command had toen 19 squadrons met
Spitfires en 38 squadrons met Hurricanes. Gemiddeld waren er 465 Hurricanes en 290 Spitfires dagelijks
beschikbaar. Binnen vier maanden werden er 628 Spitfires gebouwd en 1025 Hurricanes. In oktober van
dat jaar lag de productie van beide toestellen ongeveer gelijk. Toen vloog bij menig squadron de verbeterde
versie Mk II. De eerste Spitfire Mk II was geleverd op 17 juli, 1940 aan het 152 Squadron. De Mk II zag voor
het eerst actie in handen van het 611 Squadron op 31 augustus van dat jaar.
Spitfire Mk VB
De eerste grote verbetering kwam met de productie van de Spitfire Mk V die op 20 december, 1940 voor het eerst
vloog. Uitgerust met de Merlin 45 werd de Mk VB variant de eerste Spitfire die in productie ging met twee 20mm kanonnen naast vier .303 inch
Browning mitrailleurs (de Mk VA behield haar acht mitrailleurs). De basis was nu gelegd voor de Spitfire waar we in Nederland mee te maken zouden
krijgen als eerste naoorlogse jager, de Spitfire Mk IX.
Hieronder is een Mk IX te zien die in de naoorlogse Nederlandse Luchmacht heeft gevlogen, de MK291 die de code H-55 droeg (en H-116). Ze werd later
verkocht aan België. Ze overleefde de sloop en ging naar de Verenigde Staten, waar ze vloog bij de Confederate Air Force met onder andere de codes
van het toestel van Johnnie Johnson. Helaas werd het toestel door een brand in februari 1993 in Canada geheel verwoest.
Klik op de onderstaande foto om naar de Nederlandse Spitfires te gaan.
|