PIETER CRAMERUS
(Op Java & Borneo)

Pieter Adriaan Cramerus

(foto: P.A. Cramerus via Tom Poederbach)

VOORWOORD

Op 3 februari 2012 ontving ik een mail van Tom Poederbach welke de aanzet zou zijn tot onderstaand artikel. Hieronder is een deel van de mail gereproduceerd:

Beste Pieter,

In april 2008 heb ik Pieter Cramerus opgezocht in Denver, CO, USA. Hij was commander A Flight, onder Bram van der Stok, aan het einde van de oorlog. Ze kenden elkaar uit Leiden waar ze beiden ijshockey speelden. Pieter is nu bijna 96 en behoorlijk bij de tijd. Gisteren antwoordde hij, via z'n vrouw Mary Lou, nog op wat vragen van mij.

Ik heb dat gesprek in 2008 (zijn verhaal eigenlijk) op professioneel video opgenomen. Ik ben videoproducent. Ik kwam hem op het spoor door research naar Ivan Smirnoff. Pieter was een bewonderaar van deze legendarische KLM gezagvoerder en hun wegen kruisten elkaar in Indië in 1942. Cramerus was net uit de handen van de Japanners, die hem gevangen genomen hadden, ontsnapt. Overigens een vermakelijk verhaal op zich. Hij werd op transport gesteld naar Australië en vloog met de gevorderde KLM DC 3 ‘Pelikaan’ naar Broome waarbij Ivan de gezagvoerder was. Een toevalligheid wil dat Smirnoff de beroemde postvlucht in 1932, 10 jaar eerder met een Fokker die ook ‘Pelikaan’ heette uitvoerde. Ze kwamen niet in Broome aan maar na te zijn aangevallen door de Zero's die vlak ervoor een bloedbad in Broome hadden aangericht, maakt Smirnoff een noodlanding op het strand bij Carnot Bay. Dit is het beruchte diamanten verhaal zoals uitstekend beschreven in The Diamond Dakota Mystery. Via de schrijfster van dat boek kwam ik bij Pieter. Na zijn opleiding tot jachtvlieger in Jackson, Mississippi, kwam hij bij het 322 in de UK. Hij ontmoete Bram van der Stok pas weer toen deze terugkeerde uit Stalag Luft III en zijn commandant werd. Ook Bram van der Stok werd een held voor hem. Ze hebben veel gemeen, Bram is een jaar ouder, beiden zijn geboren in Indië en na de Oorlog geëmigreerd naar de US.

Ik weet niet wat ik verder met het materiaal aan moet. Ik heb contact gehad met het NIMH in Den Haag maar daar weten ze ook niet wat er mee moet gebeuren (geen geld). Het is een te mooi verhaal om zomaar te laten verdampen. Ik denk zelf dat het het beste op het web kan.

Met vriendelijke groet,

Tom Poederbach

En zo ontstond er een mailwisseling tussen Tom en mij. Tom wilde graag zijn verhaal kwijt, en het leek hem een goed idee om de videofragmenten bij een artikel te plaatsen die wellicht op www.strijdbewijs.nl een plekje konden vinden. Ik voelde mij gevlijd en zei toe er 'eens in te duiken'. Ik ontving foto's en enkele stukken tekst van Tom. Het grote organiseren van de losse brokken kon aanvangen. Maar ondanks naspeuringen, blijven er nog gaten in de hectische oorlogsperiode van Pieter Cramerus welke nog opgevuld dienen te worden.

In april 2012 was ik zover dat de interview fragmenten geplaatst konden worden tussen de teksten. Pieter Cramerus spreekt in het Engels, hij woont al bijna zeventig jaar in Amerika, maar met de begeleidende teksten is zijn verhaal duidelijk te volgen.
Hieronder spreekt Pieter Cramerus over zijn jeugd, zijn opleiding in Zwitserland, terugkeer naar Java en zijn eerste stappen om vliegenier te worden,....

(www.poederbach.com 2012©)

PIETER A. CRAMERUS

(De strijd om Nederlands Indië)

Pieter Adriaan Cramerus wordt geboren in het voormalig Nederlands Indië, op 16 juli 1916 in Tebing Tinggi, in de provincie Noord Sumatra. Zijn vader en moeder waren naar deze regio verhuisd om hun geluk te beproeven in de rubberplantages. Als Pieter 4 jaar is overlijdt zijn vader en besluit moeder met Pieter terug te keren naar Nederland. Omdat hij ziekelijk is wordt hij op z’n zesde naar kostschool gestuurd in Chateau-d’Oex in Zwitserland om op te knappen. Een jaar later verhuist zijn moeder ook naar Zwitserland. Na de lagere school gaat hij in Genève naar de middelbare school. Na z’n eindexamen gaat Pieter medicijnen studeren in Leiden. Hier komt hij Bob van der Stok tegen, zijn latere squadron commandant, die hem overhaalt bij de Blue Six, een ijshockeyteam uit Amsterdam te gaan spelen. De studie schiet er dan bij in, helemaal toen Pieter z’n moeder plotseling komt te overlijden.

Pieter Cramerus realiseert zich dat hij beter een baantje kan zoeken en komt terecht in het toenmalige Batavia bij de KPM (Koninklijke Pakketvaart Maatschappij) die scheepvaart verbindingen binnen voormalig Nederlands Indië verzorgde. Hij vertrekt naar Java in 1939. Pieter raakte geïnteresseerd in het vliegen en samen met een vriend koopt hij een klein sportvliegtuig. De autoriteiten mobiliseerde jongemannen voor korte perioden maar met grote regelmaat. En zo wordt hij opgeleid tot vlieger-waarnemer (tweede vlieger) op een Glenn Martin 139 bij de Militaire Luchtvaart van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, ML-KNIL.

Een Glenn Martin 139 op Andir, Bandung

Na zijn opleiding wordt vlieger-waarnemer Cramerus in 1940 gestationeerd op Andir, bij Bandung. Hier wordt hij, aanvankelijk eerst als weekendvlieger, bij de 1e en 2e Afdeling (1-VLG-I, 2-VLG-I). Naast voornoemde bommenwerpers afdelingene op Andir, was er de 1-VLG-II op Singorasi en de 1-VLG-III, 2-VLG-III en de 3-VLG-III gestationeerd op Tjililitan. Tevens kwam er op Tjililitan, in december 1941, de toegevoegde 7-VLG-III bij, (allen uitgerust met de Glenn Martin 139 bommenwerpers).

Borneo met de Nederlandse bases (en Miri, een belangrijk doelwit)

Door de Japanse opmars worden 1-VLG-I, 2-VLG-I op 1 december 1941 overgevlogen naar vliegvelden op Borneo. 1-VLG-I gaat naar het civiele vliegveld Tarakan, West-Borneo. Op Tarakan was ook een onderdeel van de Marine Luchtvaartdienst (MLD) gestationeerd. De nu tot sergeant 2de klasse gepromoveerde Pieter Cramerus gaat met 2-VLG-I naar Singkawang II, een geheime basis, op West-Borneo. De eerste operationele vlucht tegen Japanse troepen vindt plaats op 17 december als twee patrouille squadrons worden uitgezonden. Cramerus is ingedeeld bij 1e patrouille met de Glenn Martin 139 WH-3 'M-568'. Gezagvoerder op het toestel is sergeant vlieger-waarnemer Bieger, waarnemer-bomrichter sergeant De Groot, boordwerktuigkundige sergeant Maarschalkerweerd en Cramerus vlieger-waarnemer bedient het machinegeweer.

De Japanse torpedobootjager Shinonome, een Type I Toku (Fubuki) klasse

Op 17 en 18 december zijn er bombardementsacties op Japanse schepen bij Miri. Deze acties zijn enigszins in nevelen gehuld, daar er verschillende claims deze dag(en) gemaakt zullen worden. Zoals het nu gereconstrueerd kan worden, heeft zich het volgende afgespeeld: Op 17 december worden de torpedobootjager Shinonome, de mijnenveger Hiyoshi Maru en een vliegtuigmoederschip (waarschijnlijk de Kamikawa-Maru welke eruit ziet als een transportschip) aangevallen door drie Dornier 24K vliegboten, de X-32, X-33 en de X34, van de GVT-7 (Marine Luchtvaart Dienst) afkomstig van Tarakan.


ZKH Prins Bernhard bezoekt de Dornier DO-24K-1 'X-32' welke in aanbouw is bij de Maatschappij voor Vliegtuigbouw Aviolanda te Papendrecht.

X-34 zou haar doel niet bereiken, want deze wordt aangevallen door een watervliegtuig afkomstig van waarschijnlijk de Kamikawa-Maru en maakt een noodlanding in de jungle. De aanval van de X-33 op de mijnenveger, de Hiyoshi Maru, brengt alleen schade aan dit schip toe. Maar de X-32 heeft veel meer succes. De onder stoom varende Shinonome wordt getroffen door twee bommen en verschillende explosies doen het schip volgens de ooggetuigen zinken. Alle 228 opvarenden komen om, waaronder de commandant Hiroshi Sasagawa.
(Na-oorlogse rapporten (met als bron een Japanse officier) zouden vermelden dat de Shinonome door een zeemijn zou zijn gezonken, maar er is geen bewijs dat er in de baai van Miri mijnen waren gelegd.)

Op 18 december komen zeven Glenn Martins van de 2-VLG-I en twee van de 1-VLG-I richting Miri (de twee toestellen van 1-VLG-I keerden door slecht weer terug). De Glenn Martins van de 2-VLG-I bombarderen ook twee schepen die de vorige dag ook zijn bestookt door de Dorniers. Hierbij wordt een 'kruiser' getroffen (wederom de Shinonome?) welke zinkt. Ook wordt er een 'transportschip' beschadigd. De laatste zou heel goed het vliegtuigmoederschip Kamikawa-Maru kunnen zijn geweest aangezien de Japanse marine dit in een rapport vermeldt.

Het (water)vliegtuigmoederschip Kamikawa-Maru

Pieter Cramerus is bij bovenstaande actie betrokken, en het zal later bij de toekenning van zijn Vliegerkruis aangehaald worden. Hier is wel iets vreemds mee, daar de getroffen schepen hun schade omgedraaid is. Dit zal door de chaotische tijd van oorlog verkeerd in de rapportage ingeslopen zijn,... of is er een actie geweest die voor het nageslacht verloren is gegaan? Zover wij kunnen nagaan is er in de periode december-februari 1941-'42 geen vliegtuigmoederschip door Nederlandse inbreng tot zinken gebracht. Hoe het ook zij, het waren oprechte helden, jonge jongens die van trainingsvluchten opeens tegen een overmacht aan agressieve op bloed beluste Japanners stonden.

Detail van de toekenning voor het Vliegerkruis voor Pieter Cramerus

Op 18 december gaat tijdens een patrouille, de Glenn Martin 'M571', van 1e patrouille, verloren, gelukkig kan de bemanning, bestaande uit Groenveld, Haacke, Gobas en Prinsen, die hun eerste operationele vlucht maakte, eruit springen. Zij komen allen terecht in de buurt van Miri en met behulp van de lokale bevolking vinden ze elkaar snel, waarna een lange voettocht door de jungle hen uiteindelijk in Long Naway in het toenmalige Nederlands Indische deel van Borneo brengt. In augustus wordt de bemanning door de Japanners in Long Naway gevangen genomen en allen geëxecuteerd.

Een Glenn Martin 139 (166) wordt van bommen voorzien

19 december 1941 stijgen de patrouilles wederom op om een bombardement bij Miri te gaan uitvoeren. Het weer in deze tijd van het jaar is vaak regenachtig en op deze dag heel slecht en de actie word afgebroken. Op 20 december wordt Singkawang ll door een aantal Mitsubishi G4M Navy 1’s gebombardeerd zonder veel schade aan te richten. Nu de Japanners deze geheime basis hebben ontdekt, komen ze de volgende dag terug dit maal met 24 Mitsubishi G3M Navy 96 bommenwerpers. Tijdens dit bombardement vallen er op vliegveld twee doden. Op 23 december is het vliegveld van Singkawang ll zover gerepareerd, dat er weer patrouilles kunnen vertrekken. De 2e Vliegtuig groep wordt naar het vliegveld Andir bij Bandung, op Java, teruggetrokken. Het grondpersoneel word echter achtergelaten, wat veel kwaad bloed zet.

Mitsubishi G4M type 96 'Nell' bommenwerper

Pieter Cramerus wordt op 27 december 1941 overgeplaatst naar de 1e Vliegtuig groep I op de andere geheime basis in Oost Borneo, Samarinde ll (codenaam: 'Scheveningen'). Hij arriveert daar in de Glenn Martin 139 'M578'. Ze worden bij 1e patrouille ingedeeld ter vervanging van de gesneuvelden van die patrouille. Cramerus vliegt voornamelijk patrouilles. Op 11 januari spot de patrouille met 1e vlieger Elt Beckman, 2e vlieger-waarnemer Cramerus, oorlogsschepen ten zuiden van Tarakan en een konvooi transport schepen ten noorden van het eiland.

Glenn Martin 139 WH-3A (166) 'M-586'
(neergeschoten op 1 januari 1942 bij Penang)

De Japanse luchtmacht ontdekt op 24 januari 1942 Samarinda II. Hierop wordt de basis constant aangevallen door Zero jachtvliegtuigen. Vijf Nederlandse Brewster Buffalo jagers proberen de Japanse jagers te onderscheppen, maar twee Buffalo’s worden neergeschoten waarbij beide piloten omkomen. Een Zero moet een noodlanding maken op Samarinda II. Nagenoeg onbeschadigd valt het in Nederlandse handen. Door tijdgebrek kan de beroemde jager niet onderzocht worden. Op 28 januari worden weer twee Buffalo’s neergeschoten en wordt besloten Samarinda II te evacueren met achterlating van een garnizoen, omdat Amerika 1000 jachtvliegtuigen heeft toegezegd,… maar die nooit zouden komen.
(Op 9 maart werd Samarinda II overgedragen aan de Japanners. Het zou nog tot 19 maart duren voor de Japanse troepen daadwerkelijk van de basis bezit namen. Wat de bezetter kon gebruiken, werd weggehaald en de landingsbaan zou alleen als nood-vliegveld worden gebruikt.)

De Japanse invasie op Borneo

Na acties in de Javazee, rond Tarakan, Straat Makasser (januari 1942) en twee maal in de Straat van Banka (februari 1942) trekken de, nu samengevoegde, 1-VLG-I en 2-VLG-I zich terug op Kalidjati. Op 6 februari arriveert het restant van 1-VLG-I, met acht Glenn Martins bommenwerpers op het vliegveld Kalidjati, gevolgd door vier Glenn Martins van 2-VLG-I op 13 februari 1942. Cramerus zal zich later herinneren dat hij ook in Singapore is geweest om de Britten te assisteren de Japanners tegen te houden. Maar vanwege dat de Nederlanders niet getrained waren in nachtvliegen, iets wat de Britten prevereerden, werden de Nederlandse kisten weer op kalidjati teruggetrokken.

(www.poederbach.com 2012©)

Op 20 februari waren er slechts negen Glenn Martins operationeel, van de nog 17 beschikbaar. Er worden patrouilles gevlogen met hoop op een doelwit. Vanwege het heldere weer bleven de meeste toestellen ver van hun doelwit af en keerden onverrichterzake retour. In de middag, met meer bewolking, wordt wederom een missie gevlogen. Hier raakt een patrouille betrokken in een luchtgevecht met Ki-27 jagers. Alle bommenwerpers keren terug op Kalidjati. De Glenn Martin WH-3 ‘M-568’ had kogelgaten in het stabilo, maar die bleken, per ongeluk in de hitte van de strijd, door de eigen schutter aangebracht. Een patrouille van 2-VlG-III en een tweetal patrouilles van 3-Vl-G.III boekten succes. Waarbij een transportschip in de Moesi bij Palembang en opslagtanks te Pladjoe werden getroffen.

Glenn Martin 139 WH-3 'M-568' in februari 1942,
(beschadigd tijdens een patrouille op 16 februari 1942)

De Japanners vallen Kalidjati ook op 20 februari aan met 10 Ki-48 toestellen en 24 Ki-43 jagers die afkomstig waren van het veroverde Palembang I. Hierbij gaan de M-540 (ooit de eerst geleverde WH-3 (166) Glenn Martin) en de M-580 door brand verloren en raken twee toestellen beschadigd welke weer opgelapt kunnen worden. Ook een Lockheed 212 gaat verloren.

Na 12 operationele vluchten gemaakt te hebben op de Glenn Martin met een totaal van 70 uur, is de strijd in Nederlands-Indië voor Vaandrig Cramerus voorbij. Op 2 maart wordt Cramerus gelijk met zijn vliegtuigcommandant eerste luitenant vlieger Johannes Cornelis Beckman in de omgeving van Soebang door de Japanners gevangen genomen. Ze reden in Cramerus auto, van het 50 km zuidelijker gelegen Bandung, terug naar hun basis Kalidjati en hadden geen idee dat de Japanners al geland waren. Onderweg worden de mannen tegengehouden door een Japanse officier die met zijn pistool loopt te zwaaien. Beckman wordt naar Kalidjati afgevoerd en Cramerus naar een nabijgelegen gebouw. Met zijn handen op de rug gebonden, ontmoet hij hier een Australische sergeant. Als de Japanners de gevangenen even alleen laten om het gebouw te doorzoeken, rent Cramerus het gebouw uit, vlak langs de Japanse officier die in een stoel hangt. Dankzij een grote groep Indonesiërs die voor het gebouw staan, weet Cramerus weg te komen.

(www.poederbach.com 2012©)

Cramerus vlucht door een greppel en houdt een motorrijder aan. Hij verteld de man dat er verderop Japanners zitten. Deze keert zijn motor om en met Cramerus achterop, gaat het terug op Bandung aan. Cramerus weet dus te ontsnappen maar zijn commandant niet, deze wordt vijf dagen later door de Japanners onthoofd op de landingsbaan van Kalidjati.

De officiële overgave aan Japan te Kalidjati op 9 maart 1942.

In Bandung krijgt Cramerus te horen dat hij naar een vliegschool in Australië kan vertrekken, er is nog plaats in de DC-3 PK-AFV ’Pelikaan’ van de KNILM (Koninklijke Nederlandsch-Indische Luchtvaart Maatschappij).

Pieter Cramerus vertrekt in de nacht op 3 maart 1942, rond 01.15 uur, met de
’Pelikaan’ richting Australië. Hoe die enerverende vlucht zich ontwikkelde
wordt op de volgende pagina uit de doeken gedaan:
KLIK HIERONDER

GA TERUG