In 2008 kreeg ik een mail van Henk Dijkxhoorn uit Terbregge waarin
hij binnen enkele regels zijn leven vertelde. De daarop volgende mail ging over ene Arie Braun.
Het werd me duidelijk dat Henk twee loden mallen voor het slaan van penningen in zijn bezit had.
Deze penningen waren een initiatief geweest van Arie Braun om de Geallieerden te gedenken die
veertig jaar daarvoor de bevrijding brachten door op 6 juni, 1944 een invasie te starten in Normandië.
In 1984 werden de munten gemaakt en geslagen in België.
Arie vond dat ik de geschikte persoon was om de loden afslagen te beheren. Ik voelde me dan ook zeer
vereerd, en zo kwam op een dag Henk met zijn vrouw de loden mallen brengen.
Herinneringspenning waarvoor Arie Braun de initiatiefnemer was
Henk Dijkxhoorn (1933) was niet zomaar iemand die Arie gekozen had als tussenpersoon. Henk was al
geruime tijd druk doende met het aanleggen van een eigen archief van verschillende mensen die een
verhaal te vertellen hadden die zich afspeelden in de Tweede Wereldoorlog. Kleine verhalen van gewone
burgers en militairen. Soms uit het verzet, soms gewoon van mensen die hun verhaal kwijt wilden. Ook
waren er verhalen over de Manna vluchten, de voedseldroppingen uit 1945. Deze fascinatie zou het ware
levenswerk worden voor en van Henk. Hij werd de grote initiator en inspirator tot het oprichten van
een monument dat het ‘Grote Wonder’ te herdenken dat zich had afgespeeld in april en mei 1945. Het
zou elf jaar duren voor het monument er zou komen, maar op 28 april, 2006 was het dan zover. Het monument
in Terbregge werd onthuld door staatsecretaris V.d. Knaap in aanwezigheid van burgemeester Opstelten van
Rotterdam en verschillende ambassadeurs.
V.l.n.r: Henk Dijkxhoorn, burgemeerster Opstelten en staatsecretaris V.d. Knaap
Was deze onthulling al boven verwachting voor Henk, in 2007 kwam
de overtreffende trap. Nabij het monument werd toen de straatnaam onthuld die de man achter de oorspronkelijke
Manna vluchten zou herdenken, Air Commondore Geddes. Niet alleen was burgemeester Opstelten weer present,
maar ook de zoon en kleinzoon van Geddes waren aanwezig. Tevens was daar Bill Ridder, een emigrant, opgeklommen
van loopjongen tot Vice-president Bank of America, die een drieluik schonk van de Manna vluchten. Naast voornoemde
personen waren die dag ook zeven ambassadeurs aanwezig, waaronder de Duitse en zeven militaire attachés van de
betrokken landen. Mede dankzij de contacten die de schrijver Hans Onderwater heeft was Air commodore Gunby
van de Engelse Luchtmacht en Generaal de Jong van de Nederlandse Luchtmacht aanwezig waardoor ook de ‘icing on the cake’
mogelijk werd,... het overvliegen van de Avro Lancaster van de Battle of Britain Memorial Flight.
Het Manna-monument in Terbregge
Henk en zijn vrouw Janny bezochten ook regelmatig Amerika en kwamen zo ook in contact met verschillende mensen.
Henk maakt gemakkelijk contacten en zo wist ook Arie Braun hem te vinden. Deze verzocht hem een ere penning over
te brengen naar een piloot. Arie had na het maken van de D-Day penning in 1984, het jaar daarop een Manna-vlucht
penning laten maken met het idee deze te overhandigen aan vliegers die betrokken waren geweest. Maar één piloot,
Joe English, die was die dag van uitreiking niet aanwezig geweest. Maar Henk was genegen om de penning over te brengen.
En zo ging Henk met zijn vrouw naar Nanton om Joe de penning te overhandigen.
Kort na de mails van Henk ontving ik een mail uit Viljandi in Estland van Arie Braun, die daar naartoe was verhuisd.
Hij was blij dat ik de loden slagpenningen in bewaring nam. Hij sloot zijn mail af met een verontrustende mededeling
over mijn website: ‘Je bent erg slecht voor me geweest om me zoveel moois voor te zetten dat ik er al 4 dagen
mee bezig ben en nog niet klaar om dan opnieuw te beginnen voor een zieke man als ik, maar super is het!’
De volgende mail bevatte een deel van de memoires van Arie Braun (27 juli, 1931) en met Arie zijn toestemming
mag ik een deel er van met u delen.
Arie Braun en zijn vrouw Inna
Arie, één van, de toen, acht kinderen, was in 1940 acht jaar oud en had zijn vader reeds dat jaar geholpen emmers zand
op zolder te zetten tegen eventuele brandbommen. Het bombardement volgde op 14 mei, 1940. Het woonhuis van Braun
werd niet getroffen, maar de aanblik van een duikende Stuka, is Arie altijd bijgebleven. Arie: ‘sirenes gingen
en volgens advies gingen we allen onder de trap staan, we hoorden vliegtuigen, zware en lichte ontploffingen,
maar niets ernstig gebeurde er bij ons. Toen het signaal veilig klonk, gingen we naar buiten, keken rond en zagen
dat op het plein een schuilkelder was getroffen, we mochten er niet bij komen. Later werd er omgeroepen om de
stad uit te gaan naar het Kralingse Bos. We namen niet veel mee en moesten zo’n twee kilometer lopen. Onderweg
zag ik zo’n zes branden meer niet, maar van Pa moest ik recht vooruit kijken, het liefst had hij denk ik oogkleppen.’
14 mei, 1940, Rotterdam gaat in vlammen op
(* in zwart/curcief is noot van Pieter Jutte)
Ongeveer 1000 slachtoffers waren er te betreuren door het bombardement. Het bombardement veroorzaakte niet
de grootste schade, dat werd door de aanhoudende branden veroorzaakt. Dagenlang woede het vuur door de stad.
In totaal werden in Rotterdam 24.000 woningen verwoest, 2500 winkels, 1200 fabrieken en werkplaatsen, 526 cafés
en restaurants, 70 scholen, 21 kerken, 12 bioscopen, 4 ziekenhuizen, 4 spoorwegstations, 2 musea en 2 schouwburgen.
De nacht zou worden doorgebracht in een greppel van een smalle strook bos achter het Langepad. In het donker
zag de familie de vreselijke branden vanaf een veilige afstand. Later die avond kreeg de familie Braun te horen
dat ze naar een school konden gaan in Crooswijk voor overnachting. De volgende dag ging de familie op pad naar
de Boezemlaan om geëvacueerd te worden naar nadere steden. Terwijl Arie met broertje Jaap van vier op de arm stond,
sprak Kranenburg, directeur van Begraafplaats Crooswijk, met vader Braun. Deze kreeg van Kranenburg te horen dat er
een huis aan de Boezemlaan leeg stond en te huur was.
Arie: ‘In de Boezemlaan werd het leven heel anders. In plaats van de grauwe binnenstad waar je uit huis kijkend
geen boom zag, had je nu door het raam uit de mooie kamer ziende alles groen voor ogen, vanwege de ligging aan de
uiterste rand van de stad. Zelfs achter was groen tussen de huizen.’
Het leven hernam zich en de kinderen moesten weer naar school. Voor Arie betekende dit iedere dag 20 minuten
lopen naar de Isaac Hubertstraat. Vaak was de route langer want Arie werd verliefd op een tweeling (wat zij niet wisten).
Deze woonden aan de Crooswijkseweg en dat was ook een route met winkels die, naast de tweeling, ook bekeken moesten
worden.
Arie; ‘De eerste jaren gebeurde er eigenlijk niets bijzonders en ik ging van die school af en moest naar een brugklas
voor een half jaar in de Dirk Smitstraat. Daarna naar de Ambachtschool in de Tamboerstraat om te studeren voor
timmerman. Jammer genoeg duurde dat niet lang omdat de school sloot wegens gebrek aan materialen en brandstof.
Ondertussen begonnen we wel iets van de oorlog te merken, vaak kwamen er in de nacht Engelse vliegtuigen over en
dan stond er geschut op auto’s vlak voor onze deur, dat maakte een vreselijk lawaai als die bezig waren.’
Dat het een krappe bedoening was in het huis, blijkt uit het volgende dat Arie vertelde; ‘Ik sliep toen in
het zijkamertje en mocht dan in de tussenkamer komen waar twee tweepersoonsbedden stonden, een voor Pa en Ma,en
de ander lag dan vol met broertjes en zusjes met de benen tegen elkaar, net zolang tot de sirenes veilig
bliezen en dan terug in eigen bed.’
Nadat de Amerikanen bij vergissing burgerdoelen hadden gebombardeerd
moest wederom een deel van de burgers geëvacueerd
Op 31 maart, 1943 werd Rotterdam wederom getroffen door bommen. Ditmaal geen Duits fabrikaat, maar Amerikaans.
De aanval was
gericht op het havengebied, maar door een verkeerde inschatting vielen de bommen op de wijk Tussendijken.
Arie hield van de natuur en mocht graag om nesten te observeren langs de Boezem tot de Bergse Plas
zwerven. Op woensdag 31 maart, 1943 keerde Arie terug van zo’n missie en zag de rookwolken opstijgen van
de Schiedamseweg. Deze bleek geheel in as te liggen na een bombardement door de Amerikanen. De haven was
het doel, maar deze was gemist met desastreuze gevolgen. Arie weet dit aan de weinige ervaring die ‘die
jongens’ nog hadden.
Op 13 mei, 1943, terwijl iedereen rustig lag te slapen was er opeens een vreselijk lawaai. Arie klom
uit bed en zag allemaal vuur en hoorde een geluid van duizenden kogels die explodeerden. Het bleek dat
er een Britse Short Stirling, een viermotorige bommenwerper, neergestort was op de hoek van het laantje op
vijfentwintig meter van het huis van de familie Braun. Het toestel was in duikvlucht neergekomen en had op een
haar na de huizen gemist. Wel was van de lantaarnpaal voor het raam van Arie de arm verdwenen. Er waren geen
bommen aan boord, alleen de branstof stroomde brandende het riool in.
Arie; ‘Ik ben vaak langs het wrak gelopen, moest er langs naar school. De moffen die er de wacht hielden mopperden,
maar die lieten me gaan. Na een paar dagen werd het wrak afgevoerd.’
Op 13 mei, 1943 stortte de Stirling EF357,
van het 149 Sqn neer aan de Boezemlaan
Short Stirling EF357 (OJ-V, 149 Squadron) keerde op 13 mei, 1943 terug van
een bombardementmissie op Duisburg toen het door een Messerschmitt nachtjager neergeschoten
werd. Met twee brandende motoren was de Stirling niet in de lucht te houden. De geschutskoepel
werd getroffen en de schutter eruit geslingerd die te pletter sloeg. Een ander bemanningslid
probeerde er uit te komen maar zijn parachute opende vanaf die lage hoogte niet compleet, ook
hij overleefde de val niet. Een deel van het landinggestel kwam neer in de Rusthoflaan 64.
Maar de rest van het toestel brandde als een fakkel onderhand en er was geen redden aan. Op
een haar na werden de huizen gemist toen de Stirling neerkwam. Alle zeven bemanningsleden kwam om.
De bemanning werd begraven op de Algemene Begraafplaats Crooswijk. Hun namen zullen voor altijd herinnerd worden:
Flying Officer Ronald Frederick Kingham, Navigator/Bomber
Sergeant Eric George Bass, Pilot
Sergeant Kennith George Roots, Navigator
Sergeant Francis George Salter, Flight engineer
Sergeant John Geoffrey Newall, Wireless Operator/Air Gunner
Sergeant Dennis Bertram Sach, Air Gunner
Sergeant Ronald David Evans, Air Gunner
In 1943 had de familie Braun nog niet echt honger maar wel altijd trek. Op zijn tochten in de omtrek had Arie vroeger
het tweede Kralingse Bos aan zien leggen. Dat werd gedaan door de werkverschaffing, honderden mensen werden aan
het werk gehouden en moesten het terrein met de schop omspitten.
Arie; ‘Een meter diep en het enige mechaniek was een houten kruiwagen, oerdom werk. Toen is het bos aangelegd met
daar tussenin grasvelden. In 1943 werden in die grasvelden aardappels verbouwd, en die hield ik goed in de gaten,
je kreeg maar weinig aardappels als rantsoen. Op een gegeven moment kreeg ik, en ook anderen, in de gaten dat die
aardappels rijp waren en nam een zakje (altijd bij me) mee naar huis, daar werden ze graag ontvangen en dezelfde
dag gingen we met een kinderwagen naar het veld terug. Zus Marie was er ook bij, op dat veld was het al aardig druk
met stropers en we gingen aan de slag. Op een gegeven moment verschenen er een paar Duitsers die veel misbaar maakten
en wij namen snel de benen. De kinderwagen kwam in de klei vast te zitten en ik trok aan de onderkant omdat dat
beter ging. Het was op dat moment dat ik getekend werd voor het leven, er zat iets scherps onder en ik kreeg een
wond aan mijn hand, heden ten dage is die nog te zien aan mijn rechterduim als een V……… Maar we zijn thuis gekomen.’
Het zou het begin worden van altijd maar op zoek zijn naar voedsel.
Arie; ‘Nabij dat aardappelveld was ik een keer en hoorde luchtalarm blazen. Ik liep naar een schuilkelder
bij het Langepad…(juist waar nu de ingang van HOV is) en ging in de ingang staan kijken. Daar kreeg ik een
privé luchtshow te zien. Een stuk of acht jagers waren daar met elkaar bezig, wentelend en schietend een
500 meter hoog. Op een gegeven moment hoorde ik de kogels in het gras slaan. Ik ben maar even naar binnen
gegaan.’
De zus van Arie, Marie maakte ook hachelijke zaken mee. Zij ging later op de zogenaamde ‘hongertochten’.
Op vijftienjarige leeftijd liep ze naar Ommen (nu een route over de snelweg van 160 kilometer,
toen één via vele omwegen) en terug.
Vanaf Juni 1944 kwamen de V1's over, de zogenaamde vliegende bommen.
Arie; ‘De V1 was een raket met een soort kachelpijp erop waar rook uitkwam,… als het goed was, …vaak was
dat niet zo. Ze waren bestemd voor Londen en later ook voor Antwerpen. Ze maakten veel lawaai en we wisten
als het lawaai ophield dan kwam hij naar beneden. Wat regelmatig gebeurde, want ze waren niet zo goed. Maar
de vent, die met van onze naam met Von ervoor, had ook al een V2 gemaakt. Deze was zo goed (slecht),… dat
apparaat hoorde je pas als hij voorbij was, deze ging al sneller dan het geluid. Ik heb er aardig wat gezien.’
Een V1 (Vergeltungswaffen) in volle vlucht
De V1 was een geleid projectiel dat vanaf een landbasis afgevuurd werd. Het onbemande toestel had een bereik
van 250 km (later vergroot tot 370 km). Het kogelvormige projectiel was voorzien van korte vleugels en een pulserende
straalmotor duwde 2200 kg zware wapen met een snelheid van zo'n 600 km per uur voort. Boven het doel gaf een hele kleine
draaiende propeller aan dat de brandstoftoevoer dicht kon. De motor stopte en de bom viel als een steen naar beneden.
Op 13 juni 1944 werden de eerste tien V1's gelanceerd richting Londen, deze misten allen hun doel. Van de ongeveer
16.000 gelanceerde V1's troffen er 2.419 Londen en 2.448 Antwerpen. De rest stortte neer, werd door luchtafweer
vernietigd of onderschept door jachtvliegtuigen. Ook het door Nederlanders bemande 322 Squadron wist er meer dan 110
neer te schieten met hun Spitfires Mk XIV (topscoorder was F/O R.F Burgwal met 19 stuks).
De oudste zus van Arie, Ciska was ondertussen getrouwd en ze woonde in de Toussaintstraat, in Spangen.
Dit lag aan het andere eind van de stad, een gewild reisdoel voor de familie, er was altijd wel iets lekkers
te halen. Alleen die keer dat er gekookte aardappelschillen werden geserveerd, dat beviel niet zo erg.
Mannen tussen de 17 en 40 jaar moesten zich melden voor de Arbeitseinsatz in Duitsland en je begrijpt dat
daar geen animo voor was.
Arie; ‘Op de slechte morgen van 10 november 1944 werd een groot deel van Rotterdam afgezet door zo’n 8000 Duitsers.
Op de hoek van onze straat stond een zware mitrailleur in de Paradijslaan gericht en overal stonden moffen.
Er werden pamfletten uitgedeeld, waarin stond dat mannen tussen 17 en 40 jaar zich binnen één uur moesten melden
met kleding, één deken en voedsel voor een dag. Een tijdje later kwamen ze de huizen doorzoeken, ook bij ons,
het was een vriendelijke jonge knaap met een geweer die even rondkeek, niet erg zijn best deed en weer verdween.
Ik weet nu dat er die dag vierenvijftig duizend man weggevoerd zijn. Mijn broer Jan was er niet bij,
ik weet niet waar hij die dag was. Gelukkig was ik nog te jong.’
Pas lang na broer Jan zijn dood, hoorde Arie dat Jan bij Ciska ondergedoken heeft gezeten.
Voedselschaarste dwong de Rotterdammer iedere vierkante meter te gebruiken.
Op bovenstaande foto wordt de grond gereedgemaakt voor bruine bonen
Arie; ‘In die tijd zag je vaak enorme aantallen Amerikaanse vliegtuigen, vaak alleen witte strepen, maar
eenmaal op 17 september 1944 kwamen er zoveel, en zo laag over de stad, dat de Duitsers niet durfden schieten,
ik heb niets gehoord tenminste. Het bleek voor de landingen bij Arnhem op die dag. Het was niet altijd oorlog
wat schade gaf, een keer was er een geweldig onweer en een hoge populier vlak bij huis werd getroffen, ook een
putdeksel was geraakt, een groot gat was erin gebrand.
Tijdens luchtalarm mocht je niet op straat zijn, en dat was wijzer ook, want door het schieten kwamen de scherven
van de ontploffende granaten vlijmscherp en gloeiend heet naar beneden keilen. Je zag ze wel ketsen op de
straatstenen en dan vlogen ze meters hoog terug, regelmatig werden toch mensen getroffen, voor jongens waren
die scherven souvenirs.’
In 1944 had de familie Braun een roeibootje.
Arie: ‘We visten er vaak mee. Op een dag was ik met Pa wezen vissen en toen zei hij: ‘wacht even’, en ging
het gemeente terrein achter de schutting, aan de Boezemstraat op. Na een poosje riep hij mij en ik moest
helpen houten palen jatten. We hadden er aardig wat in de boot en voeren naar het bruggetje en laat daar
nou een Duitser met een geweer staan. We zijn er genadig afgekomen want we moesten ze alleen terug brengen.
Nu ik het over mijn vader heb, ik kan maar één ding van hem vertellen, waar ik in mijn leven wat aan gehad
heb, hij zei ; ’…..je moet altijd door je neus ademen…’ Dat heb ik dan ook altijd gedaan, met het gevolg dat
ik weinig verkouden was in mijn leven.
OPERATION MANNA & CHOWHOUND
Na het mislukken van de spectaculaire actie van ‘Operation
Market-Garden’ om de bruggen te pakken tot aan Arnhem en dan
door te stoten Duitsland binnen bleef het westen van Nederland
gebukt onder de Duitse knoet. Het spoorwegpersoneel staakte en
er kwam geen voedsel meer naar het westen. Treinen die wel
reden, deden dit alleen voor de Wehrmacht. Vrachtverkeer reed
bijna door brandstofgebrek ook niet, dus ook via die weg was
de aanvoer van levensmiddelen nagenoeg onmogelijk. Voedsel
werd verder gerantsoeneerd. De winter van 1944/’45 kwam
uitermate streng over Nederland, binnenwateren bevroren
waardoor scheepvaart onmogelijk werd. Talloze Nederlanders
overleefden deze Honger-winter niet. In maart 1945 werd de
opmars van de geallieerden weer hervat met ‘Operation Varsity’
door de Rijn over te steken. De geallieerden rukten ook verder
op naar het noorden waardoor de aanvoer van levensmiddelen
geheel werd afgesneden naar West-Nederland. Er begon zich in
de eerste maanden van 1945 hongersnood af te tekenen voor de Nederlandse bevolking.
Om de bevolking te ontzetten zouden de geallieerden een
landing in kunnen zetten op het westen, maar vanwege
ondermijnde dijken in Zeeland en het gevaar voor zeer veel
slachtoffers onder de burgerbevolking, dat geen kant op kon,
was dit plan onuitvoerbaar. Ook voorvoelde het geallieerde
commando dat de oorlog door een vlotte opmars nu naar Berlijn
wel eens zeer snel afgelopen kon zijn.
Op 8 april begonnen geheime onderhandelingen tussen de
Duitsers, de geallieerden en vertegenwoordigers van het
verzet. Het grootste probleem had de Duitse bezetter dat er
vliegtuigen heel laag over Holland zouden vliegen die in
plaats van voedsel ook wel parachutisten konden laten vallen.
Maar er werd overeengekomen dat er vanaf 26 april een
wapenstilstand over het westen van Nederland zou worden
afgekondigd.
En op zondag 29 april was het dan zover, 242 Lancasters
kwamen even ten zuiden van Rotterdam Nederland binnen en
Operation Manna ging van start. Mosquito’s fungeerden als
‘Pathfinders’ om de dropzones aan te geven. Rondom de
terreinen hadden de Duitsers luchtafweer geplaatst, maar deze
bleven zwijgen. Tussen de 600 en 400 voet (200 tot 150 meter)
lieten de Lancasters hun flaps zakken en sommigen deden zelfs
hun landingsgestel naar beneden om de snelheid terug te
brengen. De bommenluiken gingen open en uit de Lancasters viel
500 ton aan levensmiddelen. Niet alleen zakken met boter,
bloem, eipoeder etc., ook eigen rantsoenen van
bemanningsleden, zoals sigaretten, chocolade dwarrelden naar
de aarde. Tussen de middag hoorde de bevolking van Nederland
via de BBC radio van Operatie Manna. Om twee uur verschenen
wederom ongeveer 200 Lancasters. De volgende dag brachten 450
Lancasters 1000 ton aan levensmiddelen. Dinsdag 1 mei kwamen
de Lancasters weer, nu 492 stuks, met weer een dikke 1000 ton
aan voedsel. Op deze dag zetten ook de Amerikaanse 8th Air
Force haar B-17’s in om voedsel aan te voeren, door hen Operation Chowhound genoemd. 400 Flying
Fortresses brachten die dag 770 ton in kisten verpakte
goederen. Helaas kwam een enthousiaste toeschouwer om het
leven toen hij door zo’n kist werd getroffen. De bevolking was
uitzinnig van vreugde, langs de velden was het een drukte van
belang en ook vanaf de daken werd uitgelaten gezwaaid naar de
bemanningen. Menig traan werd geplengd aan boord, in plaats
van destructie bracht men hoop en brood in plaats van bommen.
De Duitsers trokken zich terug van de droppingsterreinen,
ook zij realiseerden zich bij het aanschouwen van de massa
bommenwerpers die ongehinderd op lage hoogte hun werk konden
doen, dat de oorlog op haar einde liep. Ook de volgende dagen
kwamen de broodwerpers terug, al werd het minder, want de
onderhandelingen voor een algehele capitulatie waren in een
ver gevorderd stadium. Op 5 mei 1945 gaven de Duitsers zich
over. Maar tot 8 mei bleven de bommenwerpers voedsel brengen
ondanks dat het verkeer over de weg al op gang was gekomen.
RAF Bomber Command had in 3156 vluchten in totaal 6685 ton
aangevoerd, terwijl de Amerikaanse luchtmacht daar nog eens
5100 ton aan toevoegde. Deze eerste hulp spaarde heel veel
levens, en was niet alleen een enorme morele opsteker voor de
Nederlandse hongerende bevolking, ook voor de bemanningen die
er bij betrokken waren was het een geweldige afsluiting van 5
jaar oorlog.
Een Lancaster dendert
laag over Katwijk tijdens Operatie Manna
(foto: Martin Herbert)
Arie schrijft: 'De winter 1944 – 1945 was een verschrikking, het eten was nihil, brood kon je geen brood meer noemen,
zo slecht. En wat uit de gaarkeuken kwam was ook ondefinieerbaar. Ik heb heel wat uurtjes in de rij
gestaan voor het vrijbankvlees. Drie uur was geen bijzonderheid en soms net voor ik aan de beurt was……uitverkocht!'
Arie; ‘Op 29 April 1945 was ik in een voor brandhout gesloopte school. Deze waren toen wegens gebrek aan
stookmateriaal gesloten. Ik keek of ik nog iets bruikbaars vond en hoorde toen vliegtuigen. Ik rende naar
buiten en zag de Lancasters op vierhonderd meter hoogte overvliegen en rende ze achterna richting huis. Waar
ik vanaf ons dak naar het gebeuren keek. Ik zag wolken van zakken en ook blikken eruit komen.’
Arie was getuige geweest van de eerste voedseldropping, de zogenaamde Manna vlucht. Ook de volgende dag, 30 april,
maakte hij de dropping mee, van zeer nabij.
Arie; ’Op 30 april heb ik de tweede voedseldropping meegemaakt onder de werpende Lancasters omdat een bruggetje
deze tweede dag niet was afgesloten en niemand wist dat ze weer terug zouden komen. Maar ze waren er weer, net
als vele dagen erna. Het was een ervaring die mij het hele leven bewust is bijgebleven.’
Na een 'bombardement' van voedsel, zoals hier op Ypenburg ,
liggen de zakken te wachten om verzameld te worden
De bewuste ervaring zette Arie er tot aan om de mannen die het Manna brachten, te gedenken via een penning.
In 1975 was een hobby van verzamelaars munten uitgelopen in een handel. En na het ‘probeersel’ om een penning uit te
geven in 1984 ter herinnering aan de landing in Normandië in 1944, moest in 1985 weer een penning komen. Arie nam
contact op met het actie comité dat de festiviteiten organiseerde rond de herdenking. Deze waren niet erg enthousiast,
maar Arie liet weten zelf de kosten te dragen, sloeg dit om. Tijdens een bijeenkomst in de Bijenkorf te Rotterdam mocht
Arie 223 penningen uitreiken aan de aanwezige ‘crewmembers’ van weleer.
Arie: ‘…Er waren 2 arme duvels uit Polen waarvoor ik het dankwoord in het Pools had geleerd; ‘ZIEMKOJE’. Deze Polen
zijn door de Bijenkorf van behoorlijke kleding voorzien en ergens vandaan kwam ook een zakcentje. De reactie van de
‘crewmembers’ was overweldigend. De eerste medaille die ze kregen voor een vredesdaad en ik werd met gejoel om een
speech gevraagd. Daar had ik natuurlijk geen ervaring mee, maar ik kende de verhalen zo goed dat ik in mijn povere
Engels iets uitdacht in één minuut!
Eerst zei ik nog in het algemeen dank en toen vertelde ik dat ik goed begreep dat ze voor de eerste vlucht hem
knepen omdat ze zo laag moesten vliegen. Ik kon dat begrip onderbouwen door ze te zeggen dat ik enkele dagen vóór
29 April, de eerste droppingsdag, in het bos luchtafweer (Flak), had zien staan, wat gelukkig niet gebruikt is.
Voor zover mij bekend heeft er één dwaas met een geweer geschoten.’
Een deel van de folder ter reclame
voor de herdenkingspenning
En zo kwam aan Arie Braun zijn oorlog een einde. Maar het avontuur was in zijn bloed gekropen.
In 1949 melde hij zich bij het Franse Vreemdelingen Legioen. Ondanks dat Arie al getekend had vond
de kapitein dat Arie te jong was en werd weer heengezonden. Hij zou zijn dienstplicht gewoon gaan
vervullen in Nederland,… nou ja,
gewoon?
Arie; ‘in 1952 was ik als marinier gelegen op vliegveld Valkenburg Zuid-Holland en moest daar onder
andere vliegtuigen bewaken, waaronder de B-25 Mitchell. Op een dag had ik aangevraagd een vlucht mee
te mogen maken, dit mocht en zo kreeg ik mijn luchtdoop in de rugkoepel van de B-25 gezeten.
Op de slechte dag, 3 februari, 1953, was ik met verlof toen de radio meldde dat alle militairen naar
hun basis terug moesten komen en daar werden we aan het werk gezet om zakken te vullen met broden,
margarine en worsten die we ook moesten inladen voor de watersnoodramp die zich in Zeeland afspeelde.
We laadden de zakken in een, Flying Boxcar, twee motorig en met dubbele staartrompen en een dikke buik.
Toen het vliegtuig vol was kwam een commando, iedereen die er niet in hoort eruit, en ik hoorde slecht.
Ik had een werktenue dat op de Amerikaanse leek en zette ook mijn klep van mijn pet omhoog, ook had ik
een parachute van de wand genomen en omgehangen.
Niet veel later was ik in de lucht, de Yanks vonden het prima, ik kon mooi een deel van het werkdoen doen.
Het lukte me 2 keer en werd als onbelangrijk persoon helemaal niet gemist.
De achterkant van de plane buik was open en zo stond ik aan die open ruimte, waar een truck in paste,
zielsgelukkig dat ik nu zelf pakketten mocht droppen en gooide de zakken naar mensen die op hogere stukken
stonden. Niemand dacht er toen aan dat de mensen die rondom water hadden, ook drinkwater nodig hadden naast
dat voedsel!’
’Dit waren enige belevenissen uit mijn rijke leven, doe er mee wat je wilt, het is nuttig dat
een groter publiek kennis neemt van bepaalde zaken.
Ik eindig met een vriendelijke groet,
Arie Braun.’
Op 7 april 2009 is Arie Braun overleden
op 77 jarige leeftijd.
GA TERUG
|