LANDINGSVAARTUIGEN
Vaartuigen van de bevrijding

Het vervoeren van manschappen over water is al eeuwen oud. Maar landingen met specifiek voor dit doel gebouwde boten waren er eigenlijk niet. Ruim een eeuw geleden werd de eerste grootschalige landing met kleine boten uitgevoerd door Britse troepen en het Australische en New Zeelandse leger korps (ANZAC). Op 25 april 1915 werd de beruchte landing tijdens de Eerste Wereldoorlog uitgevoerd op het schiereiland Gallipoli van het Ottomaanse Rijk (het hedendaags Turkije). Er zouden meer dan 500.000 doden vallen (252.000 aan Brits en ANZAC zijde, 250.309 aan Ottomanen) voor de Britten tot inzicht kwamen en tot terugtrekken besloten.

Een kanon wordt uit een landingsvaartuig gerold tijdens de Gallipoli campagne

Toch was het concept goed van landingsvaartuigen en werd verder ontwikkeld, voornamelijk door de Britten. De gedachte van het afzetten voor goederen en personeel op stranden leidde tot de ontwikkeling van speciale platbodem vaartuigen. Voor de verdedigende partij werd een extra probleem zo ontwikkeld,... Met name de Duitse 'Atlantik Wall' zou heel wat werk vergen. Niet alleen moest men de havens van verdediging voorzien, maar ook bijna 5000 kilometer kust, en hoe moest men dit uitvoeren, en vooral,... waar? Landingsvaartuigen konden overal opduiken.

De LCM, LCA & LCVP

Landing Craft Mechanised (LCM)

Een bekende LCM is in Ouistreham te vinden,
deze werd gebruikt in de speelfilm 'Saving Private Ryan'

Op het eerste oog lijkt de Landing Craft, Mechanised (LCM) erg op de kleinere Landing Craft, Vehicle Personal ('LCVP' - onderaan deze pagina). Het eerste type dat overeenkomst met de latere LCM, was door de Britten in de jaren twintig van de vorige eeuw als de 'Motor Landing Craft' ontwikkeld. De opvolger van deze MLC werd de LCM(1), waarvan 600 werden geproduceerd. Tijdens een aanval op de kust van Noorwegen en de landing bij Dieppe werden LCM(1)'s ingezet. De LCM was geheel uit staal opgetrokken (met uitzondering van vroege modellen waar de ruimte voor de stuurman uit hout was opgetrokken opdat het kompas niet gestoord zou worden door het omringende staal). Aangedreven door twee Chrysler 100pk benzine motoren, haalde het 13.60 meter lange vaartuig, met een waterverplaatsing van 35 ton, een snelheid van 7 knopen (13km/u).

De Britse LCM(1)

In de jaren dertig had de United States Marine Corps behoefte aan een vaartuig dat een lichte tank kon vervoeren. Vanwege weinig budget vertraagde het de plannen en pas in 1940 werden prototypes met een lengte van 11.50 meter en 12.10 meter getest. Op verzoek van de US Marine Corps ontwierp het Bureau of Construction and Repair de LCM(2) voor een 15 tons Army tank, welke een lengte had van 13.71 meter (40 voet). De LCM(2) werd aangedreven door twee Kermath diesel motoren van 225pk. Er werden 147 stuks gebouwd bij American Car & Foundry en bij Higgins Industries. Tijdens de landingen op Guadalcanal werden 48 ingezet, en later nog enkele tijdens de landingen op Sicilië en bij Salerno, Italië.

Deze LCM(3) brengt uitgeputte en gewonde GI's terug van Omaha Beach

Het type dat bij de meeste mensen bekend is vanwege het gebruik tijdens de landingen op 6 juni 1944, D-Day op de Franse kust van Normandië, is de LCM(3). Met een lengte van 15.30 meter was het in staat om een middelzware tank als de M4 Sherman Tank aan boord te nemen, of zestig soldaten. In totaal werden er 8631 van de LCM(3) gebouwd door negen verschillende bedrijven, waarvan Higgins er 197 voor haar rekening nam (onder de naam 'Tank Lighter'. Bij de Amerikaanse gebruikers stonden de LCM's bekend onder de naam 'Mike-Boats' Opvallend kenmerk bij dit type, de LCM(3) is boven de boot uitstekende gerasterde boegklep. Tijdens D-Day werden er 486 ingezet, waarvan er 78 verloren gingen in de volgende twee dagen.

Ook werden LCM's gebruikt om rivieren mee over te steken


LCA's met Amerikaanse GI's en Britse bemanningen tijdens een oefening

Landing Craft Assault (LCA)

Landing Craft Assault (LCA) werd ontwikkeld uit een prototype ontworpen door John I. Thornycroft Ltd. welke gevestigd was in Woolston, Hampshire, Engeland. Toch zou de landingsboot op verschillende werven gebouwd worden. De romp was van mahoniehout, maar op cruciale plekken verstevigd met stalen pantserplaten (19mm dik). Hierdoor lag de landingsboot een stuk dieper in het water dan de Amerikaanse versie de LCVP, Higgins Boat. Oorspronkelijk stond deze landingsboot te boek als de ‘Assault Landing Craft’ (ALC), maar werd na juli 1942 aangeduid als de ‘Landing Caft; Assault’(LCA), vanwege de Amerikaans-Britse alliantie.

Nieuw gebouwde LCA's uit de 1500 series worden overgedragen

Werd de LCA het meest gebruikt door de Britten en het Gemenebest, ook de Amerikanen maakten gebruik van de LCA. Met name tijdens de landingen in Normandië tijdens D-Day, op 6 juni 1944. Britse Commando troepen, en Amerikaanse Rangers maakten veelvuldig gebruik van de LCA. De keuze door commandotroepen kwam ook vanwege de fluisterzachte dubbele 65 pk Ford V-8 benzine motoren, die de 12.60m lange LCA een snelheid gaven van 19km/u (leeg), of 11km/u beladen (dat was wel een minpunt, de weinig krachtige motoren). Maar de stille motoren hadden als voordeel dat de LCA pas op een afstand van 25 meter te horen was!

LCA 106 tijdens Operation Archery, de commando actie in Vaagso op 27 december 1941

Veel van de Amerikaanse troepen vonden de LCA ook een stuk aangenamer (ten opzichte van de LCVP), vanwege de bepantsering tegen licht kaliber vuur en granaat splinters, en dat men enigsinds onder een beschermend overkapping zat (6.4mm dikke bepantsering). Wat ook een opvallend kenmerk was van de LCA, de plaats van de stuurman, voor in de boot, aan stuurboord, in een kleine bepantserde ‘toren’. Aan bakboord was eenzelfde toren waarin een Bren machinegeweer geplaatst was, tevens waren er twee .303 Lewis machinegeweren in de LCA aanwezig. Er was ruimte voor 36 soldaten.

De achterzijde van een LCA

De bemanning bestond uit vier man, een stuurman (coxwain), twee matrozen en een stoker voor de motoren. Eén van de matrozen was de zogenaamde ‘Sternsheetsman’, welke zorg droeg voor het neerlaten en optakelen in de davits van de LCA aan boord van een transportschip. De andere matroos, was de ‘Bowman’, de schutter aan bakboordzijde en die zorg droeg voor het neerlaten en optrekken van de landingsklep. Beide matrozen konden ook als stuurman fungeren indien gewenst, bijvoorbeeld als de stuurman uitgeschakeld was, dan konden deze mannen het overnemen. Ook een aparte aanpassing aan de LCA waren de dubbele pantserdeurtjes die eerst geopend moesten worden voor men de landingsklep kon betreden. Als een team aan manschappen goed getrained waren, dan waren deze binnen een dikke minuut van boord.

Oktober 1945, LSI HMS Rocksand bij het eiland Nancowry met LCA's in de davits.
De LCA's zien er moedeloos en afgeleefd uit

Er werden zo’n 2000 LCA’s gebouwd en werden overal ter wereld ingezet. Zo zagen de LCA’s actie tijdens de Noorse Campagne, de evacuatie vanuit Duinkerken (mei 1940), Operation Claymore; de commando actie in Noorwegen in maart 1941, en latere acties in december. Kleinere operaties in het Middelandsezee gebied, en Operation Biting; de overval op het radarstation bij Bruneval in februari 1942. In mei 1942 zag de LCA actie tijdens de landingen op Madagascar. Tijdens Opeartion Jubilee; de landingen bij Dieppe, werden zestig LCA’s ingezet. Voor Operation Torch; de landingen op Algerije in november 1942, werden maar liefst 140 LCA’s gebruikt. Er waren voldoende boten, maar sommige bemanningen kregen pas hun eerste kennismaking, en training, toen de operatie van start ging! De volgende grote operatie voor de LCA’s was Operation Husky, de landing op Sicilië, in juli 1943. Hier werden 94 LCA’s ingezet. Maar D-Day, 6 juni 1944 zag de grootste inzet van LCA’s, toen op die dag 418 werden ingezet. Maar de verliezen waren hoog, 184 gingen verloren. Andere grote acties waren Operation Dragoon; de landingen in Zuid-Frankrijk (juli 1944) en de landingen op Walcheren. Na de oorlog waren er nog zo’n 1500 LCA’s operationeel, maar als snel verdwenen de meeste naar de sloper, of werden particulier verkocht.

Een model van de LCA die ingezet werd bij Pointe du Hoc

Een opvallende LCA versie werd tijdens de bestorming van Pointe du Hoc in Normandië ingezet. Deze versie was uitgerust met zes lanceerinrichtingen om viertandige enterhaken de klif op te schieten waaraan lange touwen waren bevestigd, waarlangs de Rangers omhoog konden klimmen.


Landing Craft, Vehicle and Personnel (LCVP)

Op deze pagina is de naam Higgins al enkele malen gepasseerd. Hij was een belangrijke ontwikkelaar van landingsboten en met name de LCVP, de Landing Craft, Vehicle and Personnel. De ontwikkeling van de LCVP begon al in jaren ’30. Andrew Higgins, van Higgins Industries, Inc, te New Orleans, ontwierp toen de ‘Eureka’. Dit was een boot met weinig diepgang, uitermate geschikt voor de ondiepe en moerassige gebieden van Louisiana. Omdat Higgins een vooruitziende blik had en zeker wist dat er oorlog zou uitbreken en er duizenden boten nodig zouden zijn, en staal schaars zou worden, besloot hij de hele jaarvoorraad van 1939 aan mahoniehout in de Filippijnen aan te kopen. Ook het hout uit Louisiana zelf, de ‘long leaf yellow pine’, werd in de boten van Higgins verwerkt. Als de Mariniers de Amerikaanse marine opdracht geven te experimenteren met landingsboten, komt ook Higgins in beeld met zijn ontwerpen. Omdat de NBS, Navy Bureau of Ships, zelf de hand wilden hebben in het ontwerp werd Higgins terzijde geschoven. Dit ook vanwege zijn Ierse opvliegende karakter en dat hij zijn boten geheel uit hout optrok, in plaats van staal.

Een LCVP tijdens een proefvaart

Maar na enkele jaren druk uitoefenen mocht hij zijn LCVP (Landing Craft, Vehicle and Personnel) toch laten mee doen in de competitie. De Mariniers waren gelijk enthousiast. De landingsvaartuigen waren superieur aan alles wat er tot dat moment werd aangeboden. De LCVP, met zijn lengte van 11.50 m, had een gewicht van ongeveer 7000 kg en was eigenlijk niet meer dan een open doos met een boegklep. Er was ruimte voor 36 man of een jeep met 12 man.

Na het ontschepen kon de LCVP snel terug keren voor een nieuwe lading. De 6 cilinder Gray diesel motor had een vermogen van 225 pk en dit gaf een snelheid van 12 knopen aan de boot. Er werden ook boten gebouwd met een Hall Scott benzine motor. Deze leverde meer vermogen maar was ook veel brandgevaarlijker.

Stond het officieel als LCVP te boek, door de Amerikaanse soldaat werd het de ‘Higgins Boat’ genoemd. Om zijn, meer dan 20.000, werknemers te laten doordringen van de noodzaak van een hoge productie hing in de fabriek boven de assemblagelijn een enorm bord met de tekst: ‘The Guy Who Relaxes Is Helping The Axis’ (zie foto hierboven). Higgins betaalde iedere werknemer naar behoren, en naar wat zijn opdracht was. Hij maakte ook geen onderscheid tussen blank en zwart, iedere werknemer was gelijk, dus ook in het salaris.

Andrew Higgins, links, ontvangt zijn tweede 'E' prijs voor zijn record productie

De productie van de landingsboten was zo groot, dat Higgins tweemaal de zogenaamde 'E' prijs in ontvangst mocht nemen. Deze 'E' prijs werd om de zes maanden toegekend aan het bedrijf dat de hoogste productie had behaald. In recordtijd werden in totaal 23.358 LCVP’s gebouwd. De kosten per boot lagen toen rond de $ 22.000. Op alle strijdtonelen, waar amfibische landingen werden uitgevoerd, kon men de LCVP tegenkomen, van Noord-Afrika, Sicilië, Salerno, tot in de Stille Oceaan, en natuurlijk tijdens Operation Overlord (D-Day) op 6 juni 1944, de landing op de Normandische kust. Er waren op 6 juni 839 LCVP's beschikbaar (ondergebracht bij Operation Neptune), Waarvan er die dag 57 verloren gingen.

Eisenhower verklaarde tegenover schrijver Stephen Ambrose
over Andrew Higgins:
‘He is the man who won the war for us.’

Een LCVP brengt gewonden van Omaha Beach naar een hospitaal schip
(De middelste gewonde man heeft een souvenir op zijn borst,... een Duitse helm)

Heden ten dage zijn er nog maar enkele exemplaren bewaard gebleven. Een aantal is te vinden in Normandië. Een fraai gerestaureerde LCVP is tentoongesteld in het Musée ‘Omaha 6 Juin 1944’ te St.Laurent-sur-Mer. Twee anderen, in zeer slechte staat, staan in weer en wind enkele kilometers verder in Vierville-sur-Mer, bij het museum ‘Exposition OMAHA’. Ook is er een goed bewaard gebleven exemplaar te bewonderen bij het Utah Beach Museum. Ook is er een bijna vergane LCVP te vinden bij 'Battery Grandcamp-Maisy'.

De LCVP bij het museum in Vierville-sur-Mer rond het jaar 2000
(tegenwoordig, 2016, zijn de boten in zeer slechte staat, en gedoemd te verdwijnen)

Er is één exemplaar dat regelmatig een vaartochtje maakt vanuit de haven van Carentan. Deze LCVP is een orgineel gerestaureerd exemplaar. Oorspronkelijk droeg deze LCVP het nummer n° 586, maar kreeg in 1951 de NAVO aanduiding #9386. In december 1997 werd het wrak geborgen aan de rivier Laïta, 20 km ten noordwesten van Lorient. In 2004 was de restauratie afgerond en kon het in al haar glorie bewonderd worden tijdens de tentoonstelling La Barge de la Liberté in Saint Germain-en-Laye. En nu ligt de LCVP, met de aanduiding PA30-4 in de haven van Carentan en doet jaarlijks mee aan de vele D-Day herdeningen in Normandië.

De gerestaureerde LCVP 'PA30-4' in de haven van Carentan

Nabij het Utah Beach Museum ligt een stalen versie van de LCVP (hieronder).
Voor meer over de indeling van de manschappen in de LCVP
die op de stranden van Normandië voeren, en met name naar Omaha Beach ...

KLIK HIERONDER

GA TERUG