M4 SHERMAN
ALS MIJNENVEGER

De ‘mijnenvegers’, die als basis een M4 Sherman tank carrosserie hadden, zijn een apart hoofdstuk waard. Geen experiment ging men uit de weg om te komen tot een goede mijnopruimer aan het front. Het meest bekend zijn de ‘Crab’ vlegeltanks geworden. Maar de andere modellen, waarvan een aantal in het veld gebruikt, verdienen hier extra aandacht.

De aankomende landingen in Normandië, op 6 juni 1944, waren de grote eerste aanzet om tot een voertuig te komen die in een rap tempo een pad kon banen door een mijnenveld zonder daarbij zelf het gevaar te lopen schade op te lopen. Het was de bedoeling dat deze voertuigen dienst gingen doen in de Britse 79th Armoured Division.

Een vroege vlegelinstallatie op een Matilda II in Afrika

Eén van de eerste, en later bleek ook de beste, oplossing was een roterende cilinder voor de tank waaraan kettingen hingen die zwiepend op de grond voor hen sloegen in de hoop op het detoneren van mijnen. De eerste vlegels werden gemonteerd op Matilda en Valentine tanks, maar dit was geen overweldigend succes.

Een Scorpion installatie op een M3 Grant

De volgende generatie werd op de Grant en Sherman tank aangebracht. Deze, zogenaamde Scorpion, had twee aparte Dodge motoren achterop om de vlegel te roteren. De armen van de vlegel waren bevestigd aan de romp van de tank. Nadeel was dat de breedte van de tank het lastig maakt op smalle bruggen en wenden in krappe plaatsen. De opvolger, de Pram Scorpion kreeg zijn basis op de Sherman en werd door de motor van de M4 aangedreven. De cilinderarmen waren gekoppeld aan de bogies en als extra steun kreeg het zware rolwielen vlak voor de rupsbanden. Er werd ook nog getest met een model, de Marquis, waarvan de aandrijfmotor op de plaats zat van de tankkoepel. De originele koepel was verwijderd en vervangen door een bepantserde behuizing. Geen van deze types werd echter in productie genomen.

De Pram Scorpion die niet verder kwam dan een testmodel

General Hobart koos voor een simpelere oplossing. Een standaard M4 kreeg de vlegel die rechtstreeks werd aangedreven door de motor van de M4. Het behield zijn kanon, maar verloor zijn front machinegeweer (de rotor zat in het schootsveld). Om de vlegel aan te drijven was vanaf de motor een as met een ketting aangebracht die aan de rechterzijde naar buiten kwam en via een cardanas een versnellingsbak aan het einde van vlegelrotor bediende. Op de rotor werd ongeveer 285 pk overgebracht die 43 kettingen rond zwiepte. De gehele stellage van de Crab I kon hydraulisch omhoog en omlaag gebracht worden.

Een Crab I opereert in Nederland

Tijdens normaal voortbewegen werd de installatie van de grond gelift. Werd het in de bedieningsstand gebracht, dan liet men het zakken tot de vlegelarmen horizontaal waren. Nadeel van deze opstelling was dat in ruw terrein niet alle gaten ‘gevlegeld’ konden worden, de kettingen ‘maaiden’ er dan overheen. Om dit te ondervangen werd een aanpassing bedacht waarbij de vlegelarm de vormgeving van de grond volgde.

De Crab II met de padmarkering installatie

Aan de linkerzijde van de vlegelarm werd een verstelbaar balansgewicht aangebracht waardoor de hoogte gelijk bleef, ongeacht het terrein. Vanwege deze aanpassing kwam de hydraulische vlegelarm bediening aan de linkerzijde te vervallen. Bij dit model, de Crab II werd ook een padmarkering installatie aangebracht om het schoongemaakte traject aan te geven. Hiertoe werden aan beide zijden een bak met kalk aangebracht. Tijdens het ‘vlegelen’ werd een snelheid aangehouden van ongeveer 2 km per uur.

De testen met de Crab waren zo bevredigend dat Hobart de Crab toevoegde aan de 79th Armoured Division voor de landingen in Normandië. Ondergebracht bij de 30th Tank Brigade diende de Crab tot het einde van de oorlog.

Een Crab II

Er werd getest met de Lobster. Deze had een opengewerkte rotor zodat er een beter zicht naar voren was. De kettingen hingen aan een horizontaal verlengstuk om meer effect te creëren. Maar het kwam niet tot een productie vanwege het succes van de Crab II.

Een Lobster

Mijnenvegen met rollers

Schematische voorstelling van de AMRCR

In Groot-Brittannië ging het experimenteren met het zoeken naar oplossingen om mijnen te ruimen door. Er werd een constructie bedacht, de Attachment, Anti-Mine Reconnaissance Castor Roller (AMRCR), in de vorm van vier zware stalen rollers aan de voorzijde van een Sherman V tank. Ieder wiel bestond uit 18 stalen platen waarvan 14, met een doorsnede van 49.5cm, 25.4mm dik waren. De andere vier, met een doorsnede van 66cm waren, 12.7mm dik.

Schema van een AMRCR wiel

De wielen waren geplaatst in een frame. Ieder wiel was apart geveerd waardoor een maximum effect in ruw terrein mogelijk was. Er was een mogelijkheid om het gehele frame met wielen en al los te koppelen van de tank door kleine springladingen te activeren. Hierdoor waren de bemanningsleden in de tank niet genoodzaakt de betrekkelijke veiligheid van hun voertuig te verlaten. Het was alleen lastig te manoeuvreren met de installatie en tot verdere ontwikkeling kwam het niet.

Een 18 inch CIRD/Sherman

Een installatie dat uiterlijk op bovenstaande leek, alleen met twee in plaats van vier rollers, was de Canadian Indestructible Roller Device (CIRD). Er waren twee versies, de (gemeten over de breedte van de roller) 15-½ inch CIRD/Sherman (39.4cm) en de 18 inch CIRD/Sherman (45.7cm). De rollers waren massief staal en waren gekoppeld via een geveerde as aan een frame. Als een mijn explodeerde onder een roller sloeg de gehele roller omhoog en naar voren over het frame. Het frame werd daarna opgelicht terwijl de Sherman verder reed waardoor de roller weer in zijn oorspronkelijke positie kwam voor de volgende mijn. De 15-½ inch CIRD had wielen met een doorsnede van 63.5cm en een gewicht van 487 kilo. De 18 inch CIRD had een doorsnede van 71cm en een gewicht van 762 kilo. Tijdens een operatie lag de snelheid rond de 10 km/u. Er werd ook getest met Flying Bangalore torpedo's die afgeschoten konden worden vanaf de zijarmen. Deze waren bedoeld als vernietiger van prikkeldraad versperringen maar ook een eventuele mijn die op haar weg kwam.

De Lulu, mooi maar onpraktisch

Een fraaie oplossing met ‘rollers’ was de mijn detector Lulu. Elektrische spoelen waren ondergebracht in drie lichtgewicht houten vaten. Twee waren aan de voorzijde geïnstalleerd en één achter de tank. Anders dan bij de bovenstaande zware rollers die door hun gewicht de mijnen deed exploderen, de Lulu detecteerde de mijn. Werd er een mijn gedetecteerd, in de Sherman aangegeven met licht en geluidsignaal, dan kwam een opruimploeg de mijn onschadelijk maken.

De Lulu spoelen bijeen op het achterdek

Het zag er indrukwekkend uit. In de vervoerstand werden de drie spoelen keurig achterop de Sherman opgeslagen. Maar het was een kwetsbare constructie en traag bovendien. Bij het vinden van een mijn aan de voorzijde moest de Sherman achteruit zodat de opruimploeg handmatig de mijn kon verwijderen. Verder als een experiment kwam het niet.

Voor het vervolg over de Amerikaanse M4 anti-mijn tanks
kunt u nu op onderstaande

M32 Recovery Vehicle met een T1E1
KLIKKEN