De Hawker P.1040, de voorloper van de latere Hunter, werd in 1945 voorgesteld aan
de Royal Air Force (RAF) en de Royal Navy (RN). Maar de RAF had geen belangstelling,
omdat ze al beschikte over de Gloster Meteor. Maar de RN wist dat het vroeg of laat
toch een straaljager voor haar vliegdekschepen nodig zou hebben. En zo zette Hawker
zich aan het werk om haar eerste straalvliegtuig het luchtruim te laten kiezen op 2 september,
1947. Uit deze eersteling, de VP401, zou uiteindelijk de Sea Hawk ontstaan. Maar Hawker ging door met de
ontwikkeling, en met name op het gebied van de vleugels.
Op de voormalige marinebasis De Kooy staat deze Hawker Sea Hawk
(foto: Paul van Egmond)
In 1948 nam de RAF het besluit om een vervanger te zoeken voor de Meteor en de Vampire.
Er werd gezocht naar een éénpersoons onderscheppings-jager voor alle weersgesteldheden (uitgerust met radar).
Deze 'allweather' jager zou leiden tot de Gloster Javelin en de DH.110
(de latere Sea Vixen). Het tweede eisenpakket zal uiteindelijk de Supermarine Swift en de Hawker
Hunter opleveren. Via specificatie E.38/46 werd voor Hawker een contract verkregen om twee prototypes
te ontwikkelen met pijlvleugels. Door de vele ontwikkelingfases liep de project nummering van P.1047
naar P.1052 voor er uiteindelijk een vliegend prototype was. Vooral het motorvermogen van de Roll Royce 'Nene'
met haar 4500 pond stuwdruk was veel te zwak. Sydney Camm, hoofdingenieur van Hawker, stelde voor
de RR A.J.65 te gebruiken, de latere 'Avon' motor, met een stuwdruk van 6500 pond. Naast deze motor
was ook de Armstrong-Siddeley 'Sapphire' beschikbaar als voorstuwingbron.
De Hunter krijgt vorm
En zo liepen, door de ontwerpwijzigingen, de projectnummeringen op, van de P.1052 door naar de
P.1071. Was in eerste instantie de luchtinlaat in de neus gedacht, op verzoek van Rolls-Royce werd
deze in de vleugelwortel aangebracht om de luchtweg korter te maken naar de motor. Deze aanpassing
had als voordeel dat de cockpitsectie 50% groter werd. Het stabilo boven op het kielvlak werd een
derde lager geplaatst. Langzaam aan kreeg de Hunter haar specifieke vorm, en werd daardoor één van
de mooiste straaljagers uit de geschiedenis. Het eerste prototype van de Hunter, de P.1067,
maakt op 20 juli 1951 haar eerste vlucht in handen van Nevile Duke.
Nevile Duke in P.1067, de klassieke vorm die ongewijzigd
bleef.
Terwijl Rolls-Royce probeerde de problemen uit haar 'Avon' motoren te krijgen, bleek de
motor van Armstrong-Siddeley, de 'Sapphire' probleemloos te functioneren. De 'Sapphire' zou haar weg vinden
in varianten van de Gloster Javelin en de Handley Page Victor. De 'Sapphire' werd in licentie gebouwd als de
J65 door Curtiss-Wright in Amerika en waren onder andere
geplaatst in de F-84F en de RF-84F en de A-4 Skyhawk. Ook de eerste twee prototypes van de
F-104 Starfighter werden uitgerust met de J65.
Vanwege de betrouwbaarheid zou de 'Sapphire' ook haar weg vinden in
de Hunter Mk.2 en de Mk.5. Maar helaas voor Armstrong kwam aan verdere plaatsing in Hunters
een einde toen Camm besloot trouw te blijven aan Rolls-Royce en voor de volgende varianten van de Hunter, de
F.Mk.6/T.Mk.7 voor de RAF, tot en met de Mk.80 (buitenlandse orders vanaf de F.Mk 50) alleen
maar voor de 'Avon' te kiezen. Uiteindelijk zouden er 11300 'Avons' gebouwd worden tussen 1947 en 1974.
De Rolls-Royce 'Avon' turbinemotor
De eerste twintig productietoestellen werden intensief getest. Vanwege het weinige brandstof
dat de Hunter inwendig kon meenemen, werden afwerpbare tanks onder de vleugels aangebracht,
van elk 100 gallons (454 liter). De eerste testen met Hunter, WT569 waren succesvol waarna alle
Hunters er mee werden uitgerust. Het was gebleken dat de 'Sapphire' motoren veel minder gevoelig
waren tijdens het afschieten van de 30mm kanonnen dan de 'Avon' motoren. Vooral de schokgolven
tijdens het schieten veroorzaakten dat de 'Avon' vaak uitviel, daar waar de 'Sapphire' geen problemen gaf.
Er werden blastdeflectors aangebracht, aan de monding van de kanonnen, dat het probleem oploste.
De verbrandinggassen die het afschieten veroorzaakte werden afgebogen, waardoor de luchtstroom
naar de motor niet langer verstoord werd. Ook de schade die de schakels, van de patroonbanden, na
het uitwerpen aan de onderzijde van het toestel veroorzaakte, werd opgelost door twee gestroomlijnde
bakken onder de romp te plaatsten die de schakels opvingen (de lege hulsen waren zwaar genoeg om zonder
schade uitgeworpen te worden).
De open luchtrem onder een Hunter
Er waren meer problemen die om een oplossing vroegen, zoals de luchtremmen. De luchtremmen aan de vleugels
zorgden voor een te sterke neerwaartse druk. Dit werd opgelost door een luchtrem onder de romp te plaatsen.
De Hunter zag er niet alleen geweldig uit, ze was ook technisch een enorme sprong voorwaarts.
Met haar vier 30 mm Aden kanonnen was ze een formidabel wapen. Ook de bekrachtigde roeren
was een grote vooruitgang.
De Aden 'gun-pack' naast een F.Mk.4 Hunter in het MLM, Soesterberg
Gaande weg werden dus de problemen opgelost. Op een gegeven moment was de Mk.1 te veel aangepast
dat een nieuwe nummering gewenst was, dat werd de F.Mk.4 (de Mk.1 werd bij Armstrong-Whitworth als
de Mk.2 gebouwd en de Mk.3 werd gebruikt om records mee te vestigen). De verbeterde Mk.2 kreeg de
aanduiding Mk.5. Leuk detail is dat de Armstrong gebouwde Mk.5 een dag eerder vloog (19 oktober, 1954)
dan de Mk.4. Ondertussen waren de eerste buitenlandse order ook binnen. Zweden (120 stuks) en Denemarken
(30) kregen de eerste machines onder respectievelijk de aanduiding Hunter Mk.50 en Mk.51 (Mk.4's).
Het uitzicht van de piloot op zijn instrumenten
De gerieflijke cockpit stond onder druk en de piloot zat in een
betrouwbare Martin-Baker schietstoel. In duikvlucht was het mogelijk om de Hunter door de geluidsbarrière
te duwen. Op 7 september, 1953 bracht Neville Duke het wereldsnelheidsrecord met de Hunter op 1171 km/u.
De Hunter kwam op 1 juli 1954 als eerste in dienst bij het RAF No.43 Squadron. Rond deze periode kreeg het
No.46 Squadron de Swift. Dit toestel beviel zo slecht dat dit squadron weer terug stapte in de
oude Meteor! Deze ontwikkeling was natuurlijk een enorme stimulans voor het Hunter-programma.
Ook Nederland kiest voor de Hunter
Nummer 9 door Fokker gebouwde Mk.4 (Schiphol, december, 1955)
Door het grote succes bij de RAF, en de aankoop door Zweden en Denemarken besluiten vele andere
buitenlandse luchtmachten tot aanschaf van de Hunter. Binnen de NAVO wordt de Hunter de standaard
onderscheppingsjager. Ook Nederland en buurland België namen respectievelijk 209 en 256 stuks.
Fokker bouwde in licentie voor de KLU 96 Mk.4's en 93 Mk.6's. Hiertoe werden zes Hunters door Hawker
geleverd als voorbeeld. De eerste Mk.4, de N-1, kwam vliegend aan op 3 maart, 1955. De andere vijf
waren pakketten die alleen dienden geassembleerd te worden (N-102 tot en met N-106). Ook voor België
bouwt Fokker de Hunter, respectievelijk 12 Mk.4's (plus 36 in pakketten) en 52 Mk.6's (+ 92 pakketten).
België zelf bouwde ook 64 Mk.4's in licentie bij SABCA en Fairey (die verder 36 Mk.4's en 92 Mk.6's assembleerde).
De Mk.4, 3W-9 van 322 Squadron, begin 1958
De eerste Hunter Mk.4's van de Klu werden bij het 325 Squadron gestationeerd
op Leeuwarden vanaf december, 1955. Dit squadron vloog het langst met de Hunter in Nederland, tot september 1968.
In die periode had het 325 ook een Demo-team, genaamd 'Darling'. Het 322 Squadron ontving als laatste de Hunter.
Deze kregen pas in januari, 1958 de Mk.4 om in juli al weer helemaal uitgerust te zijn
met de Mk.6. Toch nam het 322 de Mk.4, zeven stuks, mee naar Biak, Nieuw Guinea om in
oktober van dat jaar de eerste vluchten daar te maken. Maar de nadelige tropische atmosfeer
was niet goed voor de Mk.4. De toch al zwakke motor presteerde daar minimaal. Een verzoek om
de Mk.6 werd gehonoreerd en vervolgens werden er nog 14 van dit type gestuurd (waarvan 12 geassembleerd werden).
Toen in 1962 Nieuw Guinea onafhankelijk werd kwamen de overgebleven Hunters terug naar Nederland en ging het 322
Squadron over op de F-104 Starfighter.
De F.Mk.6, N-249 van het 325 Squadron
(dit toestel maakte ook deel uit van het Demo-team 'Darling')
De F.Mk.6 werd de uiteindelijke Hunter. Het eerste prototype van de Mk.6, de P.1099, vloog
op 23 januari, 1954. Om de F.Mk.6 van de Mk.4 te onderscheiden valt één detail
aan de buitenzijde op, dat is de 'zaagtand' aan de voorrand van de vleugel. De eerste testen met de
Mk.6 wezen uit dat het toestel de neiging had om te overtrekken bij hoge snelheden op grote hoogte.
Om dit euvel te verhelpen werd de buitenste vleugel aan de voorzijde verlengd. De 'Avon' Mk.200 series
motor bleek goed te voldoen (zo goed dat men haar motoren 'kneep' om grote slijtage te voorkomen waardoor
de Hunter een hoge mate van veiligheid waarborgde). De RAF ontving 415 stuks van deze Hunter.
Een Hunter F.Mk.6/FGA.9, van het RAF 20 Squadron
(let op de 'zaagtand' aan de voorzijde van de vleugel)
Naast elkaar in de Hunter
Op 8 juli 1955 maakte het prototype P.1101 (productie aanduiding; T.7, bij de Royal Navy als de T.8) haar eerste vlucht.
Dit toestel was een tweezitter voor trainingen. De beide piloten zaten naast elkaar.
Op voorhand, voor de prototypes, XJ615 (ex-Mk.4) en XJ627 (ex-Mk.6) vlogen, bestelde
de RAF reeds 65 toestellen (uiteindelijk 57). Nederland had ook belangstelling en bestelde
gelijk 10 stuks (die rechtsreeks uit de order voor de RAF werden doorgesluisd) en er werden
nog 10 extra besteld bij Hawker (de Belgen namen geen T.7 trainers af).
Een Hawker Hunter T.7 trainer op Vliegbasis Deelen, 1988
De T.7 werd hoofdzakelijk
opgebouwd uit overtollige Mk.4's met 'Avon' 121A en 122 motoren. Toen bleek dat de Hunter T.7
lastig uit een vrille was te halen werd het toestel uitgerust met een zogenaamde vrille-parachute.
Na intensieve proeven door Bill Bedford op Farnborough bleek dit een zeer afdoende methode.
Tevens kon deze parachute als remparachute gebruikt worden om de T.7 af te remmen na de landing.
Er werden maar weinig eenzit versies uitgerust met een remparachute, de Zwitserse eenzits
Mk.58 Hunter was daar één van. Ook een aangepaste RAF versie van de Mk.6, de FGA9, ontwikkeld
voor het Verre Oosten, met betere cockpitventilatie en grotere zuurstofcapaciteit, werden
voorzien van remparachutes voor de over het algemeen kortere landingsbanen.
De cockpit van een T.7 met de dubbele besturing
Zoals aangegeven was de Hunter een goed export succes. Een andere grote afnemer van de Hunter
was Zwitserland met 160 stuks, die daar bekend stond onder de aanduiding,
Mk.58 (100 stuks), Mk.58A (52) en Mk.68 (8). Verder bestelden ook Chili (40 stuks), Irak (61), Oman (33), Peru (20),
Singapore (47). India was ook een grote afnemer, met varianten op de Mk.6.
India was de eerste buitenlandse afnemer van de F.Mk.6, die 160, met de aanduiding Mk.56, aanschafte.
Later kocht India nog een extra 53 aan van de Mk.6/FGA9, die de aanduiding Mk.56A droegen.
India schafte ook de trainer aan, 22 stuks van de Mk.66. Verder werden 12 aangepaste ex-Nederlandse
Mk.6's omgebouwd tot T.Mk.66D's, met een latere aanvulling van 5 T.Mk.66E's. In totaal nam India maar
liefst 252 Hunters af.
Hunter F6 N-216 c/n 8830 (325 Sqn), doorgesluist naar India als A1015
India zette de Hunter in tegen Pakistan in 1965. Het eerste luchtgevecht tussen vier Hunters
en 3 Pakistaanse F-86 Sabres was op 6 september en werd in het voordeel van Pakistan beslecht
met 2 Hunters vernietigd en 2 beschadigd, zonder eigen verliezen. Later die dag claimde Pakistan
meer Hunters (in totaal 7 stuks die dag), al ontkende India de verliezen. De Pakistaanse vlieger
had respect voor de Hunter, maar men oordeelde dat de Hunter niet goed gebruikt werd in tactiek.
Op 7 september werd een F-86 neergeschoten door een Indiase Hunter, toen vier F-86's de vliegbasis
Kalaikunde aanvielen en negen Hunters tegenkwamen. India zette de Hunter het liefst in tegen
gronddoelen, zoals een belangrijk goederentransport van Pakistan op 8 september.
Een Hunter van India
Op 12 september 1965 stonden twee Hunters oog in oog met twee Pakistaanse F-104 Starfighters.
Maar het gevecht moest worden afgebroken vanwege brandstof tekort, de F-104 bleek te snel, de
Hunter beter in de bochten, waardoor het gevecht te lang duurde (uitkomst 0-0). In totaal verloor
India, tussen 6 en 22 september, 13 Hunters tegen Pakistan. Hunters zouden 6 F-86F Sabre toestellen
van Pakistan hebben neergeschoten. In de oorlog met Pakistan in december 1971, verloor India
17 Hunters (deze waren alleen ingezet tegen gronddoelen, maar onderschept).
Demonstratieteam van India, de 'Thunderbolts'
Naar aanleiding van het 50 jarige bestaan van de Indian Air Force, werd in 1982 het demonstratieteam
‘Thunderbolts’ opgericht. Voor het team waren negen Hunter Mk.56A toestellen van het 20 Squadron vrijgemaakt. In 1990
werden de ‘Thunderbolt’ weer ontbonden.
Op 8 oktober 2001 werd de laatste Hunter van de Indian Air Force uit dienst genomen. De laatste vlucht
werd gedaan op Air Force Station Palam met de T.66 trainer, serienummer S-571, welke nog een oude
Nederlandse machine zou zijn geweest (http://www.warbirdsofindia.com/news/259-hunters-last-flight.html).
De F.Mk.4, N-138 in 1977 bij de Kaderschool te Schaarsbergen,
tegenwoordig te vinden op de Vliegbasis Leeuwarden
Van de in totaal 1972 gebouwde Hunters, zijn
er nog zeer veel overgebleven, waarvan verschillende vliegwaardig. Vooral Zwitserland was
een bron van Hunters voor verzamelaars. Nadat Nederland uitgevlogen was met de Hunter gingen
er 47 Mk.6 en 9 T.7's terug naar Hawker-Siddeley voor doorverkoop. Andere gingen naar de LETS
waar ze werden gebruikt voor brandweer oefeningen. Gelukkig zijn er nog enkele bewaard gebleven
in Nederland. Van de Mk.4 zijn er nog een paar voorhanden, waaronder in het Militair Luchtvaart
Museum te Soesterberg. Bij de Kaderschool van Schaarsbergen stond jarenlang de N-138. Deze staat
nu op een paal bij Vliegbasis Leeuwarden. Van de Mk.6 heeft Nederland ook nog een paar exemplaren,
maar in het buitenland zwerven nog verschillende oude Hunters van Nederland rond.
De T.8C, XF357 (G-BWGL) van
de Dutch Hawker Hunter Foundation
Sinds 2007 heeft Nederland er weer een vliegende Hunter bij, dankzij de aanschaf van de T.8C, XF357 (G-BWGL) door
de Dutch Hawker Hunter Foundation. Van oorsprong was deze T.8C een eenzitter die geleverd werd in maart 1956.
In 1959 werd ze omgebouwd tot een tweezitter voor de Royal Navy. Begin 1994 werd ze pas uitfaseerd waarna ze privé
verkocht werd in 1995. In 2007 werd ze dan aangekocht door de Stichting Dutch Hawker Hunter Foundation.
In de authentieke Nederlandse kleuren van veleer en met de regstratie N-321 op de
neus zal ze een graag geziene gast worden op menig luchtvaartshow.
De F.6A, XF515 (G-KAXF) als de N-294 van
de Dutch Hawker Hunter Foundation
In april 2009 werd de Dutch Hawker Hunter Foundation versterkt met een tweede Hunter, een F.6A. Dit toestel
was in 1956 gebouwd als een F.Mk.6 in Coventry en in 1957 ondergebracht bij RAF 247 Squadron als de XF515. In de jaren zevetig
werd ze opgewaardeerd tot een F.6A toen haar vleugels versterkt werden en een remparachute werd aangebracht.
In 1995 werd ze particulier verkocht en ontving de registratie G-KAXF. In 2007 wist de Dutch Hawker Hunter
Foundation beslag op haar te leggen. En na toestemming van de Koninklijke Luchtmacht mocht ze als zusterschip
naast de T.8C, XF357 (‘N-321’) vliegen vanaf Leeuwarden als de N-294.
Voor een bezoek aan de website van de
The Dutch Hawker Hunter Foundation
klik hieronder op de Hunter
De auteur is in het bezit van een
opmerkelijke ‘grip’ van de stick van een Hawker Hunter. Deze
is namelijk voorzien van een borgpen die moest voorkomen dat
‘per ongeluk’ de boordwapens geactiveerd werden. De
oorspronkelijke stickgrip komt uit een Hunter die de grens
bewaakte tussen West-en Oost Duitsland. Dit strategische punt
uit de Koude Oorlog mocht niet exploderen door een
‘trigger-happy’ piloot van de RAF, vandaar dat deze extra borg
was aangebracht.
De afvuurposities op de grip, rechts de ontborgde ‘safe’
| Fabrikant |
Hawker /
Withworth / Fokker |
| Ontwerper |
Olv. Sir Sidney Camm |
| Gebruik |
Jager,
jachtbommenwerper, jagerverkenner, T.7
tweezits-trainer |
| Motor |
1 x Rolls-Royce
Avon (Hawker), Armstrong-Siddeley Sapphire (Withworth
F.2) |
| Vermogen |
3630 kg (F.2), 4536 kg (F.6)
|
| Spanwijdte |
10,26 m |
| Lengte |
13,98 m
(eenzitter), 14,90 m (T.7 trainer) |
| Hoogte |
4,26 m |
| Vleugeloppervlakte |
|
| Klimvermogen |
1676 m/min (Avon
100), 2438 m/min (Avon 200) |
| Gewicht |
leeg |
5501 kg (F.1), 6020 kg
(F.9) 13.610 kg (latere versies) |
Geladen |
7347 kg (F.1), 10.885 kg
(F.9) |
| Snelheid |
max. |
1144 km/u (zeehoogte) |
Geladen |
|
| Plafond |
15.240 m |
| Bereik |
689 km, 2965 km
met externe brandstoftanks |
| Bewapening |
In de romp vier
30mm kanonnen (soms twee in de T.7), 2 x 454 kg bommen +
24 x 7.62mm raketten onder de vleugels (F. versies)
|
| Bemanning |
1 (2 in
T.7) |
| Eerste
vlucht |
20 juli
1951 |
| Aantal
gebouwd |
1972
|
BRONNEN
Klik op 'Top 50' voor mijn
persoonlijke 'best of' militaire vliegtuigen lijst.
GA TERUG
|